Coming soon
Coming soon
Selecteer type
Zaterdag 28 maart, 16.00 tot 17.00 u
Stand C 01, Galerie Ron Mandos
De internationaal bekende, Rotterdamse kunstenaar Joep van Lieshout stelde een kunstwandeling samen in de vorm van een boekje. Hij laat je zijn favoriete kunstwerken in Rotterdam zien, waar je anders misschien zomaar aan voorbij zou lopen.
Dit deed hij in samenwerking met Tramhuis, de onlangs geopende kiosk voor stadswandelingen. Een initiatief van Droom en Daad met als doel Rotterdammers en bezoekers aan te moedigen om de stad te voet te ontdekken.
De route is 5 kilometer en rolstoelvriendelijk. Zaterdag 28 maart tussen 16:00 en 17:00 is het boekje (€12,90) op de beurs te koop, waar Joep van Lieshout aanwezig is om te signeren.

Dit jaar viert de NN Art Award haar tiende editie. De jaarlijkse stimuleringsprijs van €10.000 gaat naar een getalenteerd kunstenaar die een opleiding in Nederland afrondde en werk presenteert op Art Rotterdam (27-29 maart in Rotterdam Ahoy). De vakjury nomineerde vier kunstenaars: Fiona Lutjenhuis (Galerie Fleur & Wouter), Tina Farifteh (Gallery Vriend van Bavink), Mandy Franca (Night Café Gallery) en Kyra Nijskens (Prospects / Mondriaan Fonds). Van 14 maart tot en met 25 mei 2026 is het werk van alle genomineerden te zien in Kunsthal Rotterdam.

Mandy Franca onderzoekt in haar multidisciplinaire praktijk de frictie en verwevenheid tussen het digitale en het alledaagse. Ze groeide op in Rotterdam-Zuid, waar culturele diversiteit de norm was en contact met haar familie op Curaçao verliep via een belhuis, een kleine winkel waar je in de jaren 90 en vroege jaren 2000 tegen betaling internationaal kon bellen. De klokken aan de muur met verschillende tijdzones weerspiegelden niet alleen de fysieke afstand, maar ook twee werkelijkheden die gelijktijdig bestonden. Franca ontwikkelde zo al vroeg een scherp gevoel voor wat technologie doet met nabijheid, herinnering en identiteit.
In haar artistieke praktijk onderzoekt de kunstenaar hoe digitalisering, migratie en globalisering doorwerken in onze omgang met alledaagse objecten, plekken, tradities, beelden, herinneringen en huiselijke omgevingen, vaak zonder dat we het doorhebben. Hoe kunnen die behouden worden? Franca gelooft dat het individuele daarbij altijd verwijst naar het gedeelde. Ze probeert het schijnbaar gewone niet alleen te herwaarderen en extra gewicht te geven, maar ook te kijken naar wat de beleving daarvan verbindt met bredere, gemeenschappelijke ervaringen. Op die manier plaatst ze persoonlijke ervaringen in een groter weefsel van gedeelde behoeften en wederzijdse afhankelijkheid. Daarbij heeft ze extra aandacht voor elementen als zorg, verbinding en het lichaam als archief. Ook onze relatie met de niet-menselijke wereld loopt als een rode draad door haar praktijk.
Als vertrekpunt gebruikt Franca vluchtige snapshots die ze maakt met haar smartphone, vaak in lage resolutie omdat ze omarmt wat ze beschikbaar heeft. Ze verwijst daarmee naar Hito Steyerls essay over het ‘arme beeld’, als democratisch tegenwicht voor de ‘perfecte’ beeldtaal van de commerciële wereld, waarbij circulatie en toegankelijkheid zwaarder wegen dan technische perfectie. Franca onderzoekt wat digitale materialiteit betekent en hoe een beeld zich verhoudt tot oppervlak, reproductie en tastbaarheid. In haar praktijk geeft zij die vragen vorm door analoge en digitale werkwijzen te verbinden, te tekenen, te drukken en beelden over elkaar te leggen, om zo een complexiteit zichtbaar te maken waarin het digitale en het fysieke onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Er ontstaat zo een spanningsveld tussen het reproduceerbare beeld en de unieke handeling die het transformeert tot een uniek werk. Franca experimenteert daarbij veelvuldig met verschillende media en druktechnieken. Voor eerdere werken gebruikte ze bijvoorbeeld NASA-beelden in combinatie met eigen fotografie, video en geluid.

Mandy Franca werd in 1989 geboren in Rotterdam. Ze studeerde aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam en de Royal College of Art in Londen, gevolgd door een residency aan de Rijksakademie van beeldende kunsten in Amsterdam. Haar werk was onder meer te zien in Stedelijk Museum Amsterdam, Saatchi Gallery in Londen en TENT Rotterdam, en bevindt zich in de collecties van Stedelijk Museum Amsterdam en de Rijksakademie. Haar werk verscheen onlangs in de publicatie ‘Vitamin P4: New Perspectives in Contemporary Painting’ van Phaidon Press.
Mandy, kun je ons wat meer vertellen over het werk dat je presenteert op Art Rotterdam en in Kunsthal Rotterdam?
Het werk dat op Art Rotterdam en in Kunsthal Rotterdam te zien zal zijn, is onderdeel van een grotere serie waar ik in 2023 mee begon, met de titel ‘An Area of Land Dominated by Trees’. Hiervoor liet ik mij inspireren door de openingszin van Wikipedia’s beschrijving van een bos. De titels functioneren deels als beschrijvende, bijna encyclopedische aanduidingen, alsof het gaat om een biologische registratie van een moment. Tegelijkertijd zijn er ook een aantal titels met persoonlijke lading, zoals ‘Fluttering Leaves Make the Wind Blow’, afgeleid van een uitspraak van mijn schoonzusje, of ‘My Grandmother’s House as a Place of Shelter’, dat eveneens in de presentatie op Art Rotterdam te zien is in de stand van Night Café.

Ik ben geïnteresseerd in verschillende werkelijkheden en vormen van intelligentie die verder reiken dan de mens, en plaats zowel hedendaagse technologieën als de natuurlijke wereld binnen een meer-dan-menselijke context. Bomen zijn sociale wezens die in staat zijn tot complexe communicatie, wat de opvatting uitdaagt dat intelligentie uitsluitend aan mensen is voorbehouden. Dit nodigt uit tot een herwaardering van onze relatie met de natuur en met hedendaagse technologieën, en verruimt het menselijk begrip van intelligentie. De nadruk die het Westen legt op individualisme onderschat het belang van gemeenschap, samenwerking en het erkennen van onze wederzijdse afhankelijkheid en gemeenschappelijke ervaringen. Het begrijpen van onze onderlinge verbondenheid is cruciaal voor ons voortbestaan. Bomen dienen in dit werk niet als een metafoor, maar als een gemeenschap waar wij als mensen wel iets van kunnen leren.
De beelden in deze serie zijn afkomstig uit mijn persoonlijke beeldarchief en zijn in de afgelopen jaren met mijn iPhone gemaakt op verschillende plekken en momenten in mijn leven: onder andere in Londen, in het Vondelpark in Amsterdam, het Kralingse Bos in Rotterdam, op het terrein van de Rijksakademie van beeldende kunsten en het huis van mijn oma op Curaçao. Deze geografische en temporele gelaagdheid weerspiegelt hoe mijn werk ontstaat: vanuit overlappingen tussen plaats, herinnering en huidige ervaring.

In beide presentatie kies ik bewust voor een niet-hiërarchische manier van hangen. Werken bevinden zich op verschillende hoogtes en verspreiden zich over meerdere wanden, waardoor er ruimte ontstaat voor ontdekking en beweging. Geen enkel materiaal, formaat of techniek is ondergeschikt aan een ander.
Mijn interesse in gemeenschap en onderlinge verbondenheid is niet alleen conceptueel, maar ook erg persoonlijk. Mijn ouders zijn op Curaçao geboren en ik groeide op in Rotterdam-Zuid in een multiculturele omgeving. Mijn klas op de christelijke basisschool bestond uit kinderen van diverse culturele achtergronden en we begonnen elke week met gebed, elk op ieders eigen manier. Als kind vond ik die verschillen in taal, religie en rituelen vanzelfsprekend en fascinerend, het was mijn ‘normaal’. Als volwassenen werd ik me bewuster van hoe deze (culturele) diversiteit maatschappelijk soms onder druk staat of op weerstand stuit. Voor mij vertegenwoordigt die culturele kruisbestuiving juist een vorm van sociale intelligentie. In die zin zie ik een parallel met het bos: Het herinnert me eraan dat wij als planeet, mensen, dieren, planten en zelfs technologie, met elkaar verbonden zijn en van elkaar afhankelijk.

Wat zijn je plannen voor 2026?
Momenteel werk ik aan mijn eerste solotentoonstelling in een museum, waar ik erg naar uit kijk. In mei opent mijn solo ‘I Breathe an Endless Universe in Me’, gecureerd door Delany Boutkan, in het Stedelijk Museum Schiedam. De tentoonstelling vormt een belangrijk ankerpunt in mijn praktijk en ligt in directe verlenging van een doorlopend onderzoek dat begon met ‘On Being Light and Liquid’ (Rijksakademie van beeldende kunsten, Amsterdam, 2024) en zich vervolgde in ‘Why Do I Stare at the Sky and Long for the Clouds’ (Night Café, Londen, 2025).
In deze reeks keren wolken, lucht en de kleur blauw terug als motieven die dienen als verbindend en gemeenschappelijk element, en die ontstonden na een lange periode van ziekte en isolatie. Ik lag maandenlang in bed, starend naar de lucht. Omdat zelfs de gebruikelijke bezigheden waarmee je jezelf bezighoudt tijdens ziekte voor mij geen optie waren, werd de uitgestrekte lucht buiten mijn raam mijn verbinding met de buitenwereld. De steeds veranderende lucht doorbrak het repetitieve ritme van mijn dagen en bracht momenten van reflectie en verwondering. Ik reflecteerde op het contrast tussen mijn eigen onbeweeglijke toestand en de vloeibaarheid van de wereld om me heen. Terwijl ik de beweging van de wolken observeerde, historisch gezien een symbool van vrijheid, dacht ik na over hoe die vrijheid altijd contextueel en situationeel gebonden was. De presentatie in het Stedelijk Museum Schiedam omvat onder andere fotografische en videobeelden, genomen met een mobiele telefoon uit mijn eigen archief, maar ook in samenwerking met familieleden, digitaal gesimuleerde beelden, schilderkunst, geluid en videowerken. In deze tentoonstelling onderzoek ik hoe aanwezigheid wordt ervaren wanneer mensen, plekken en tijden uit elkaar liggen. Adem en lucht spelen daarin een centrale rol.
Mijn werk is ook opgenomen in de onlangs verschenen publicatie ‘Vitamin P4: New Perspectives in Contemporary Painting’, uitgegeven door Phaidon Press. De ‘Vitamin’-serie richt zich op hedendaagse kunstenaars die met schilderkunst werken en brengt rond de 100 kunstenaars over de hele wereld samen, die volgens hen de afgelopen 5-10 jaar een frisse, unieke of innovatieve bijdrage aan dit genre hebben geleverd.
Verder staan er ook een aantal tentoonstellingen in het buitenland in het najaar op de planning en wil ik de tijd nemen om midden in het jaar rust te pakken op Curaçao, tussen de drukte in!

Kun je beschrijven hoe je je voelde toen je hoorde dat je was genomineerd voor de NN Art Award?
Ik was behoorlijk verrast! Het idee om mij aan te melden kwam van mijn galerist van Night Café, die ervan overtuigd was dat ik kans maakte om geselecteerd te worden. Dat zij die potentie in mijn werk zag, getuigt alleen maar van haar intuïtie en betrokkenheid.
Het nieuws kwam echter op een bijzonder moment: een dag eerder hoorde ik dat mijn oma na een kort ziekbed was overleden. Daardoor stond deze nominatie in scherp contrast met hoe ik me op dat moment voelde. Ik voelde me vereerd, maar ook wat verbaasd. Maar ik zie de nominatie juist door de timing ook wel als een aanmoediging. Tegelijkertijd ben ik dankbaar en is het een eer om één van de vier genomineerden te zijn uit zoveel inzendingen.

Welk project zou je onmiddellijk oppakken als je de award zou winnen?
De afgelopen jaren ben ik door mijn gezondheid niet in staat geweest om veel te reizen. In een periode daarvoor ben ik begonnen met het verzamelen van beelden met bloemen uit mijn eigen beeldarchief. Vanuit dat groeiende archief ontwikkel ik collages in combinatie met olie pastel, die verwijzen naar het traditionele bloemstilleven, maar waarin ook lichamelijkheid en fragmentatie zichtbaar worden. Voor mij dragen bloemen zowel iets kwetsbaars als iets veerkrachtig in zich. Op termijn zou ik graag naar Curaçao reizen om daar bloemen vast te leggen en te onderzoeken. Mijn ouders zijn daar opgegroeid, omringd door deze flora. Door dit toekomstige archief te verbinden met het materiaal dat ik de afgelopen jaren heb verzameld, wil ik persoonlijke en geografische lagen samenbrengen. Ze functioneren als dragers van herinnering, aanwezigheid en familiegeschiedenis.
Om die gelaagdheid verder te kunnen onderzoeken en mijn werk op grotere, ruimtelijke schaal te ontwikkelen, is mijn droom niet zozeer het realiseren van één specifiek project, maar het zou mij dichterbij mijn doel brengen om een grootformaat printer aan te schaffen. Het gebruik van een printer speelt een grotere rol in mijn praktijk, maar momenteel ben ik hiervoor afhankelijk van externe workshops met de juiste faciliteiten om mijn werk te drukken, wat betekent dat ik lang van tevoren moet plannen. Een eigen grootformaat printer hebben zou meer spontaniteit, flexibiliteit en experiment met materialen toelaten, waardoor ik mijn praktijk kan verbreden. Als ik deze apparatuur in mijn eigen atelier tot mijn beschikking zou hebben, zou dat het proces niet alleen versnellen, maar vooral verrijken: het opent de mogelijkheid om te experimenteren met gelaagdheid, materialen en combinaties die nu vaak buiten bereik blijven. Op die manier wil ik mijn artistieke praktijk verder ontwikkelen en een balans tussen experiment en technische kennis verder opdoen.
De winnaar van de NN Art Award 2026 wordt bekendgemaakt op vrijdag 27 maart in Kunsthal Rotterdam. Tijdens deze feestelijke avond zijn alle tentoonstellingen, inclusief de NN Art Award tentoonstelling, vrij toegankelijk voor genodigden.
Geschreven door Flor Linckens
Art Rotterdam / Unseen Photo werkt samen met We Are Public. Cultuuroptimisten die gaan voor meer kunst en cultuur in Nederland. Wist je dat je ook lid kan worden? Met We Are Public ga je naar een scherpe selectie cultuur; zorgvuldig gekozen door We Are Public curators. Vaak gratis, soms met een fikse korting. Met als bonus natuurlijk, dat je kunst en cultuur ondersteunt! Word je ook lid? Krijg nu je eerste maand gratis: www.wearepublic.nl

“And yet a strange beauty remains,
a memory of that moment
in which everything stopped, paused,
to begin anew,
like a heart faltering
but still determined to live.
I’ve always remember the wires of the laundry hanging
outside in the countryside,
so many worlds have passed
through those folds,
suspended,
the smell of the soap,
the warmth of the sun,
If death is a state of being
what would become of memories?
Do they linger in the air?
or do they dissolve in the tide?” – Silvia Gatti

Verdampende poëtische woorden lichten het scherm op in de multichannel geluidsinstallatie Chiaro di Luna, 2025 (Maanlicht) van beeldend kunstenaar Silvia Gatti. Het videowerk wordt gepresenteerd in de sectie Projections op Art Rotterdam, op voorstel van andriesse-eyck gallery. De beeldtaal bestaat uit gefragmenteerde natuurbeelden (opgenomen in Nationaal Park De Hoge Veluwe), computergegenereerde beelden, versleutelde codes en een experimenteel poëtisch kader.
Silvia Gatti (1983, Italië; woont en werkt in Amsterdam) maakt video- en geluidsinstallaties, schrijft poëzie, ontwikkelt computerprogramma’s en creëert conceptuele sculpturale werken. Haar praktijk is multidisciplinair en onderzoeksgericht. Ze beschouwt het werken met taal en storytelling als een vorm van ‘concrete filosofie’: “Ik ben altijd aangetrokken geweest tot fundamentele vragen, of ze nu wetenschappelijk, filosofisch of metafysisch zijn,” zegt Gatti. “Ze laten me nadenken over wat kennis is, wat menselijke intelligentie vandaag betekent en hoe we de wereld om ons heen waarnemen.”

“Ik gebruik kunst om deze vragen concreet te benaderen, ze uiteen te rafelen en dichter bij hun essentie te komen. Storytelling verbindt me met de aard van het geheugen en met de constructie van mogelijke toekomsten. Het is een instrument waarmee ik abstracte concepten tastbaar en ervaarbaar maak, via herinnering of via projectie naar de toekomst, zodat ze niet alleen intellectueel, maar ook sociaal en existentieel beleefd kunnen worden.”
In Chiaro di Luna, 2025 verbeeldt Gatti hoe de natuur wordt ontcijferd vanuit een bunker die volledig opgaat in de architectuur van het omringende landschap. De bunker, een massieve, imposante constructie die in oorlogstijd bescherming biedt, fungeerde ook als verborgen communicatiesite. In dezelfde bunker waar Gatti het videowerk opnam, stond ooit een Enigma-machine opgesteld: een versleutelingsapparaat dat leek op een kleine typemachine in een houten koffer, gebruikt om militaire berichten te coderen en te decoderen. Het werd vooral bekend door het gebruik ervan door nazi-Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Maar zelfs binnen de veiligheid van dikke betonnen muren moesten signalen kunnen doordringen: “De Enigma-machine ontving binnen de bunker nog steeds informatie uit de lucht,” vertelt Gatti. “Ze moest op een bepaalde manier open en blootgesteld zijn om berichten van buitenaf te kunnen ontvangen, zodat de machine ze kon ontcijferen en vertalen.” Dit gegeven fascineerde de artiest en werd het conceptuele vertrekpunt voor Chiaro di Luna.
“Ik vroeg me af: wat betekent het om beschermd te zijn? Wat betekent het om blootgesteld te zijn? En hoe verbinden we ons met anderen en met de wereld om ons heen?” legt Gatti uit. “Ook het netwerk en de logica van de Enigma-machine, die informatie uiteenrafelt tot iets begrijpelijk, intrigeerden me in relatie tot mijn praktijk rond programmeren en poëzie.”

In het videowerk wordt de natuur gemechaniseerd en decodeert het programma onvermoeibaar wat erin besloten ligt. “Ik schreef een poëtische tekst, en het programma breekt de taal op in signalen en onthult zo wat de natuur ons probeert te vertellen. Ik wilde de grenzen tussen de natuur en het interieur van de bunker laten vervagen, alsof de muren worden opengebroken om rechtstreeks met de natuur te werken en erdoorheen te bewegen.”
Naast de videoinstallatie is er ook een sculptuur van afgedankte oude klokken. “Ik heb ze geopend zodat je de blootliggende tandwielen ziet bewegen en het tikken van de tijd hoort. Het geluid van hun rotoren deed me ook denken aan het mechanische geluid van Enigma-machines wanneer ze codes kraken.”
Ontdek de immersieve elektronische en visuele ervaring Chiaro di Luna, 2025 in de sectie Projections op Art Rotterdam.

Bio
Silvia Gatti (1983, Alessandria, Italië; woont en werkt in Amsterdam) is een hedendaagse kunstenaar wiens praktijk verschillende disciplines omvat, van architectuur tot video- en geluidsinstallatie, poëzie, sculptuur, programmeren en conceptuele werken op papier. Ze onderzoekt de kruispunten van taal, technologie en natuur.
Voor ze in 2021 cum laude afstudeerde aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam, behaalde Gatti een master in Architectuur, Design en Stedenbouw aan de Universiteit voor Architectuur in Genua, Italië. Van 2023 tot 2025 was ze resident kunstenaar aan de Rijksakademie van beeldende kunsten in Amsterdam.

Haar werk werd zowel in Nederland als internationaal (Italië) getoond. Recente hoogtepunten zijn onder meer de groepstentoonstelling in de Diogenes Bunker in Arnhem (2025) en haar selectie voor en deelname aan de tentoonstelling Art Directions tijdens het International Film Festival Rotterdam 2026, wat haar betrokkenheid bij experimentele, immersieve en interdisciplinaire mediainstallaties onderstreept.
In 2019 won Silvia Gatti de Eerste Prijs van de Lassnigbeme Contest, georganiseerd door het Stedelijk Museum Amsterdam, met haar reeks tekeningen getiteld ON PLACEBO EFFECT
Geschreven door Emily van Driessen
De internationaal gerenommeerde beeldend kunstenaar Otobong Nkanga presenteert tijdens Art Rotterdam 2026 een nieuw kunstwerk op de stand van Lumen Travo (Amsterdam), in de Main Section van de kunstbeurs.

Een rode draad doorheen haar multidisciplinaire praktijk is zowel earthing en unearthing: een horizontale verankering in de verwevenheid van het menselijk bestaan met natuurlijke elementen, een lichamelijk contact met materiële realiteiten, en een poëtische poging om verminkte landschappen en zeegezichten bloot te leggen en te helen. Haar werk toont de gevolgen van de menselijke toe-eigening, exploitatie en uitputting van de elementen. Zo stromen in haar werk rivieren door de lucht of lopen ze als aders door lichamen, lijken touwen op samengevlochten haarlokken, en druipen gouden textielstromen neer als de tranen van een waterval.
Haar textielwerken, schilderijen, tekeningen, performances, installaties en videowerken behandelen vaak ongelijkwaardige culturele, economische en ecologische uitwisselingen tussen Noord en Zuid, met bijzondere aandacht voor hun impact op Afrikaanse landen. Nkanga woont en werkt in Antwerpen, maar werd geboren in Nigeria, een West-Afrikaans land dat tot 1960 onder Brits koloniaal bestuur stond.
Trade routes
Nkanga is in het bijzonder geïnteresseerd in het traceren van oude en hedendaagse handelsroutes van mineralen, specerijen, kruiden en oliën, en de verhalen die aan hun circulatie verbonden zijn. Vanaf de negentiende eeuw breidde mijnbouw zich snel uit over verschillende continenten, waarbij diepe littekens in het landschap werden geslagen en zwaar lichamelijk werk werd verricht dat een hoge menselijke tol eiste. In deze context verschijnt de aarde als iets ouds en fundamenteels voor de mensheid, maar tegelijk ook als versnipperd en geschonden.
Door deze verbanden met grondstoffen in haar werk te verweven, maken ze een poëtische verkenning van natuurlijke landschappen mogelijk. Nkanga activeert daarbij opnieuw voormalige handelsroutes tussen Zuid en Noord, terwijl ze tegelijk schade, verlies en pogingen tot herstel adresseert. Haar oeuvre is een cyclisch narratief waarin groei, uitwisseling, verval en dood leiden tot transformatie en regeneratie. Deze verhaallijnen spreken alle zintuigen aan, ook de reukzin, zoals met de scherpte van roze peper of de diepe, zoete warmte van rauwe cacaobonen. Op die manier activeert ze ook subtiel herinneringen waarvan fragmenten in het heden blijven nazinderen.

Unearthed, 2021
Textiel speelt binnen dit kader een sleutelrol. Draden worden met elkaar verweven en laten persoonlijke en collectieve verhalen in elkaar zakken. Weven wordt een sociale handeling, gebaseerd op een gedeelde bijdrage aan een gezamenlijk resultaat. Een sprekend voorbeeld is de tapijtenreeks Unearthed (2021), die door de overleden curator Koyo Kouoh werd omschreven als “the unsung tales of the earth”. Voor deze reeks werkte Nkanga met twaalf verschillende soorten garen en produceerde ze ongeveer 250 kleuren, verspreid over vier tapijten, Abyss, Midnight, Twilight en Sunlight, die samen één doorlopend verhaal vormen. Ze tonen verschillende zeeniveaus en stadia van minerale ontginning, eerst met de hand en later machinaal. In deze onderwaterwerelden transformeren anemonen in menselijke ledematen, glanzen garens als gedumpt plastic afval en lijken mechanische graafarmen te zweven in de eindeloze dieptes van de zee. De lichaamsdelen verwijzen naar de vele mensen die op zee zijn omgekomen, wier lichamen samensmelten met het water en in mineralen veranderen, waardoor de levenscyclus kan worden voortgezet.

Cadence, 2024
Een andere indrukwekkende recente textielinstallatie is Cadence (2024), in opdracht gemaakt voor het atrium van het MoMA, Museum of Modern Art in New York. Het werk ontplooit zich verticaal door de ruimte en betrekt de architectuur actief in de installatie. Het is opgebouwd rond het idee van een val, zoals het ritme van een traan die door de ruimte naar beneden sijpelt. Cadence brengt verval, mijnbouw, arbeid, water, planten, warmte en licht samen en toont hoe de onderwereld, de aarde, de zon en de kosmos in elkaar overvloeien. Via gelaagd weefwerk, sculpturale handgemaakte textielvormen en geluid vertaalt Nkanga het constante ritme van natuurlijke elementen in één doorlopende cadans van het leven.
De kunstenaar presenteert momenteel een grote retrospectieve in het Musée d’Art Moderne de Paris, die loopt tot 22 februari 2026. Daarnaast bereidt ze nieuwe opdrachten voor voor de 61ste Biënnale van Venetië en voor de opening van het nieuwe KANAL Centre Pompidou in Brussel, dat binnenkort het grootste museum voor hedendaagse kunst van Europa zal worden. Binnen dit internationale traject is Art Rotterdam de eerste plek waar haar nieuwste werk te zien is, op de stand van Lumen Travo.
Bio
De praktijk van Otobong Nkanga onderzoekt het begrip land als een plek van niet-toebehoren en reikt alternatieve betekenissen aan voor gangbare sociale ideeën over identiteit. Paradoxaal genoeg brengt ze daarbij herinneringen en historische impact aan het licht die zowel door de mens als door de natuur zijn veroorzaakt. Een selectie van recente solotentoonstellingen omvat I Dreamt of You in Colours, Musée d’Art Moderne de Paris, Parijs (te zien tot 22 februari 2026), Each Seed a Body, Nasher Sculpture Center, Dallas (TX) (2025), Cadence, The Museum of Modern Art (MoMA), New York (2024), en Craving for Southern Light, IVAM Centre Julio González, Valencia (2023). Recente groepstentoonstellingen zijn onder meer Project a Black Planet, MACBA Museu d’Art Contemporani de Barcelona, Barcelona (2025), Magical Realism, WIELS centrum voor hedendaagse kunst, Brussel (2025), en Blue Zone, Kunsthal Rotterdam, Rotterdam (2025). Otobong Nkanga ontving verschillende belangrijke prijzen, waaronder de Nasher Prize (2025) en de Zeitz MOCAA Award for Artistic Excellence (2025).
Geschreven door Emily van Driessen
De wereld van de Argentijnse beeldend kunstenaar Hernán Soriano (1978) binnengaan voelt als het betreden van een archiefkamer vol curiositeitenkasten. De doffe geur van oude boeken kraakt in de stilte, schemerig warm amberkleurig kaarslicht strijkt over bruin getint papier, een grote gekleurde wereldkaart ligt half uitgerold op een massief eiken bureau.

In de New Art Section, op de stand van Quimera Galería (Buenos Aires), toont Soriano een selectie werken uit verschillende periodes van zijn praktijk. Hij omschrijft zijn methode als ‘denken met zijn handen’: hij vouwt, snijdt, assembleert, scheurt, traceert en herdenkt wat elementen uit het verleden in het heden zouden kunnen worden. Zijn ambacht verbindt hij rechtstreeks met het atelier, een plek om te mijmeren alvorens iets in beweging te zetten. De werken die hier samenkomen maken deel uit van wat hij zelf een ‘georganiseerd systeem’ noemt, een geheel waarnaar hij steeds terugkeert, vertrouwde motieven heractiveert en in nieuwe constellaties laat opduiken.
Zijn delicate en precieze praktijk, vaak opgebouwd uit uitsnijdingen in archiefpapier, roept iets op van een oude wereld die blijft terugkeren, waarin kunst en wetenschap vanzelfsprekender in elkaar overvloeiden, en waarin overzeese koloniale reizen werden ondernomen met behulp van en verfijning van cartografie. Via zijn ingrepen openen zich verschillende hedendaagse lezingen, niet in het minst in zijn subtiele omgang met materiaal en zijn verfijnde spel met taal.

In Nuestra Flor (2021) splijt hij een wereldbol open tot een bloeiende bloem. La flor (de bloem) resoneert haast instinctief met het vrouwelijke ontstaan van leven, een betekenis die in het woord zelf verscholen zit en die, verhuld, ook naar de vulva kan verwijzen. In La Laguna (2017) geeft hij een kaart, een vlak oppervlak, en een lagune, een ondiep wateroppervlak, een driedimensionaal lichaam. Tegelijkertijd snijdt hij de vorm uit de kaart zelf. De titel verwijst ook naar de Spaanse uitdrukking una laguna mental, een blinde vlek in het geheugen, terwijl hij die leegte materieel in het oppervlak van de kaart uitsnijdt.
Soriano merkt op dat het leven in Argentinië, een Zuid-Amerikaans land getekend door sterke Europese invloeden, zijn blik als kunstenaar en zijn relationele verhouding tot materiaal heeft gevormd.
In dat opzicht zijn de kunstwerken met avocadopitten bijzonder intrigerend. Hij kerft in de pit, het hart van de vrucht, en vormt haar om tot ontelbare organische gedaanten tot ze haast onherkenbaar wordt. De avocadopit is een element dat we vaak over het hoofd zien, maar ze bezit uitgesproken esthetische kwaliteiten: een warme amberbruine gloed, een houtachtige structuur. Op uitgesproken materiële wijze verbindt de pit het efemere, dat wat afsterft, met het verloop van de geschiedenis.

In El Comienzo de la Alborada (2025) dwarrelen organisch afgeronde uitsnijdingen van de avocadopit over partituurpapier als muzieknoten. La alborada betekent dageraad; het is alsof Soriano een melodie van ochtendglorie componeert waarin de natuur muzikaal wordt verbeeld.
Tegelijkertijd is de avocado een belangrijk inheems product van Latijns-Amerika en draagt het woord “avocado” meerdere lagen van regionale identiteit in zich. In het huis waar hij opgroeide stond een avocadoboom, waardoor de vrucht ook nauw verweven raakte met zijn persoonlijke en emotionele geschiedenis.

In verschillende titels waarin Soriano elementen uit avocadopitten kerft, introduceert hij het neologisme páltico (met de vrouwelijke vorm páltica), een woord dat hij zelf verzon, afgeleid van palta (avocado). Net zoals herboristen, botanici en natuuronderzoekers ooit nieuwe woorden moesten uitvinden of ontlenen om bloemen, planten en dieren te classificeren, zo verzint Soriano een nieuw begrip binnen de Spaanse taal. Het is alsof hij een eigen taxonomie installeert binnen zijn artistieke register.
Stap binnen in Soriano’s gelaagde wereld op Art Rotterdam 2026, te zien bij Quimera Galería in de New Art Section.

Bio
Hernán Soriano (1978, Buenos Aires, Argentinië) is een beeldend kunstenaar wiens werk zich beweegt tussen tekening, sculptuur en het bouwen van objecten met verzamelde materialen en verouderde technologieën. Een belangrijk moment in zijn carrière was de solotentoonstelling Formar mentalmente una máquina in het Museo de Arte Moderno de Buenos Aires (26 oktober 2016 – 19 februari 2017), waar hij oude boeken en lithografieën bewerkte tot landschappen van herinnering met poëtische herhalingen.
In 2022 ontving hij de Premio Azcuy de Arte Contemporáneo voor het project Sonos, een permanente geluidsinstallatie in het Donna Magna-gebouw, gekozen uit meer dan 200 nationale inzendingen. Zijn werk wordt gewaardeerd om de manier waarop hij geluid, materiaal en actieve deelname van het publiek samenbrengt. Daarnaast nam hij deel aan belangrijke groepstentoonstellingen, zoals het 23e Stuttgarter Filmwinter Festival (Duitsland) en Museo de los mundos imaginarios in Museo MAR.
Geschreven door Emily van Driessen
In de sectie The Past Present op Unseen presenteert THIS IS NOT A WHITE CUBE (Lissabon) de serie ‘BLOOM: Reclaiming Presence Through Botanical and Photographic Memory’ van Dagmar van Weeghel. Met deze reeks keert de Nederlandse fotograaf terug naar de negentiende eeuw om de fundamenten van het fotografische archief te bevragen. Wie werd er destijds vastgelegd, wie bleef er buiten beeld, en wat betekent dat voor de manieren waarop wij vandaag kijken?

Van Weeghel studeerde aan de Nederlandse Filmacademie in Amsterdam en woonde en werkte zo’n tien jaar in verschillende Afrikaanse landen als filmmaker, onder meer in Zimbabwe, Tanzania, Botswana, Uganda en Zuid-Afrika. Die jaren vormden haar blik. Sinds 2015 is fotografie haar voornaamste medium, waarmee ze verhalen deelt die zich afspelen tussen continenten, generaties en geschiedenissen. Haar praktijk beweegt zich daarbij op het snijvlak van beeld en archief.
Een belangrijk keerpunt was haar terugkeer naar Nederland. Ze zag van dichtbij hoe hardnekkig vooroordelen over Afrika en Afrikaanse mensen zijn. Haar man, die ze in Botswana had ontmoet, werd hier regelmatig weggezet als ‘de ander’. Ook haar twee kinderen, die opgroeien met een dubbele identiteit, kregen te maken met racisme. Van Weeghel dook de geschiedenis in en wilde begrijpen hoe zulke patronen ontstaan. Ze las onder meer het beroemde werk ‘Oriëntalisme’ van Edward Said, die als eerste systematisch beschreef hoe de westerse blik niet neutraal is, maar gevormd wordt door machtsstructuren en koloniale kennissystemen. Die blik exotiseert, categoriseert en marginaliseert alles wat als ‘anders’ gedefinieerd wordt, en presenteert dat vervolgens als vanzelfsprekende, objectieve werkelijkheid. Wat haar man en kinderen meemaakten was geen uitzondering maar een patroon, diep geworteld in het westerse denken.

Said geldt als een van de grondleggers van het postkolonialisme, een academische stroming die onderzoekt hoe koloniale structuren, denkpatronen en representaties doorwerken nadat het formele kolonialisme is geëindigd. Dekolonialisme gaat een stap verder en is actiever: dat gaat over het actief ontmantelen van die structuren en het ontwikkelen van andere perspectieven en kennissystemen, vaak vanuit het Global South zelf. Denk bijvoorbeeld aan denkers als Frantz Fanon. Van Weeghel zoekt binnen die kaders haar eigen invalshoek. Tussen 2016 en 2022 maakte ze de serie ‘Diaspora’, portretten van Afrikaanse immigranten in Europa, vaak mensen uit haar eigen netwerk. Daarin onderzocht ze hoe waardigheid, kracht en complexiteit zichtbaar kunnen worden gemaakt binnen een visuele cultuur die vooral vanuit een westers perspectief heeft gekeken.
Gaandeweg verschoof haar interesse naar negentiende-eeuwse fotografie, en de structurele afwezigheid van Zwarte Europeanen daarin. In die periode ontwikkelde fotografie zich tot massamedium en werd het ingezet als instrument van registratie én classificatie. Tussen circa 1839 en 1900 zijn portretten van mensen van kleur in Europese archieven schaars, anoniem of volledig afwezig, zeker wanneer het vrouwen betreft. De schaarste is geen toeval, maar een symptoom van een selectieve blik. Wat niet binnen het dominante kader paste, werd niet of nauwelijks vastgelegd. Die lacune staat centraal in ‘BLOOM’. In plaats van het archief te citeren, construeert Van Weeghel een alternatief visueel geheugen. Eerder onderzoek had haar al naar historische figuren als Sarah Forbes Bonetta geleid, een West-Afrikaanse vrouw die onvrijwillig protegée werd van koningin Victoria, maar in ‘BLOOM’ verschuift de nadruk nadrukkelijk naar het heden.
Voor ‘BLOOM’, waaraan ze vier jaar werkte, maakt Van Weeghel gebruik van historische technieken. Maar hedendaagse vrouwen stappen hier het negentiende-eeuwse kader binnen. Niet als curiositeit maar als protagonist. Met een zeldzame carte-de-visitecamera uit 1860 maakt de kunstenaar portretten van vrouwen van Afrikaanse afkomst die vandaag in Europa leven.

Van Weeghel: “Er bestaan nog maar vijf van deze originele cameras, waarvan er vier in museumcollecties zijn opgenomen. Één van de resterende camera’s zit in de collectie van verzamelaar Frédéric Hoch in Strasbourg. Van hem kreeg ik toestemming om deze natte plaatcamera te gebruiken. Heel bijzonder! Deze camera heeft in in de vroege negentiende eeuw voornamelijk witte mensen vastgelegd. We kregen vijf uur de tijd en de camera was waarschijnlijk al 150 jaar niet meer gebruikt, dus hij piepte en kraakte, maar het proces was heel speciaal.”
De vrouwen op deze foto’s dragen zorgvuldig vervaardigde kleding in negentiende-eeuwse stijl, waarin ieder detail is uitgedacht. Elke foto wordt afgedrukt op authentiek negentiende-eeuws albuminepapier en gepresenteerd als een carte de visite: het kleine, op karton gemonteerde portretkaartje dat in de negentiende eeuw massaal werd uitgewisseld en verzameld.
Binnen de reeks realiseert Van Weeghel ook grootschalige anthotypieën: afdrukken waarbij pigmenten uit zelfgekweekte en verzamelde wilde bloemen worden blootgesteld aan zonlicht. Die pigmenten vervagen in de loop der tijd, een metafoor voor geheugen, verlies en de fragiliteit van het archief. Tegelijkertijd verwijst de kunstenaar hiermee naar de Victoriaanse floriografie, de gecodeerde bloementaal waarin gevoelens en sociale codes werden overgebracht en waarin ook koloniale en raciale denkbeelden besloten lagen. Voor deze anthotypieën herdrukt zij anonieme Zwarte vrouwen uit negentiende-eeuwse archieven. De vergankelijkheid van de techniek weerspiegelt hoe deze vrouwen uit de geschiedschrijving zijn verdwenen. Voor de pigmenten verzamelde ze onder meer bloemblaadjes in Nederland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, landen met een beladen koloniale geschiedenis. Dat deed ze veelal met haar dochter, als gezamenlijke daad. Van Weeghel nam ook bloemen mee uit de persoonlijke tuinen van koningin Victoria en koningin Elizabeth in Schotland. Die zullen ook te zien zien op Unseen. Daarnaast kleurt Van Weeghel ook een aantal zwart-witportretten met de hand, als een daad van herdenking, met zelfgemaakte bloempigmenten.De bloemen die ze daarvoor gebruikt dragen ook hier specifieke betekenissen en boodschappen met zich mee.
Alle portretten in de serie zoeken steeds de dialoog met de kijker op aan de hand van floriografie en botanische geschiedenis. Door middel van gestes, bepaalde bloemen in de hand van de portretteerden of met de hand geschilderde doeken brengt ieder beeld een bepaalde boodschap over.
Daarnaast werkt Van Weeghel met platina-palladiumprints, een techniek die ze koos vanwege de duurzaamheid en de rijke tonaliteit, en daarmee: de archivale bestendigheid. Zo krijgen deze vrouwen een blijvende plek in het beeldarchief. Werk uit de serie werd onder meer opgenomen in collecties van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Fondation Blachère. Een selectie uit ‘BLOOM’ is te zien op Unseen tijdens Art Rotterdam in de sectie The Past Present. Werk uit deze reeks is gelijktijdig ook te zien in THIS IS NOT A WHITE CUBE in Lissabon.

Deze portretten zijn geen reconstructies van het verleden, maar verankeren nieuwe vormen van aanwezigheid in het visuele vocabulaire van de Europese geschiedenis.Van Weeghel betreedt met deze serie bewust een beladen visuele domein, bewust van de structuren die ons blikveld hebben gevormd. Ze kopieert daarbij de vorm, maar niet de machtsverhouding. Ze plaatst andere lichamen, verhalen en perspectieven in het centrum van het beeld en geeft de geportretteerden regie over hun representatie. Van Weeghel spreekt niet namens hen, maar onderzoekt de beeldkaders die hun zichtbaarheid lange tijd hebben ingeperkt en creëert ruimte en context voor een gelaagde aanwezigheid. Deze vrouwen zijn geen passieve objecten van een westerse blik, maar co-auteurs. Door historische technieken te heractiveren en te herpositioneren verruimt Van Weeghel het archief, en daarmee ook onze blik. Ze benadrukt daarmee dat het archief geen neutrale opslagplaats is, maar een constructie, gevormd door selectie, uitsluiting en macht, en laat zien hoezeer zichtbaarheid afhankelijk blijft van wie er kijkt en bewaart.

Over de sectie The Past Present op Unseen tijdens Art Rotterdam (27-29 maart in Rotterdam Ahoy)
Fotografiehistoricus, curator en auteur Hedy van Erp werpt in The Past/Present een eigentijdse blik op analoge fotografie tot het jaar 2000, met bijzondere aandacht voor verloren archieven en gevonden beelden. Van Erp brengt daarbij kunstenaars samen die op eigentijdse wijze gebruikmaken van bestaande fotografische beelden en technieken om het verleden zo opnieuw gewicht en betekenis te geven.
Geschreven door Flor Linckens
De Unseen Book Market is een van de meest geliefde onderdelen van Unseen en krijgt dit jaar een nieuw thuis. Parallel aan Unseen Photo Fair als onderdeel van Art Rotterdam (27-29 maart in Rotterdam Ahoy) vindt de Book Market plaats in het Nederlands Fotomuseum, dat onlangs heropende in pakhuis Santos, een nationaal monument in Katendrecht.

In de entreehal van het museum presenteren zo’n 35 uitgevers en gespecialiseerde boekhandelaren hun nieuwste en mooiste fotografie-uitgaven, waaronder deelnemers als Fw:Books, Kehrer Verlag en Hannibal Books en academies als de Willem de Kooning Academy en de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten (KABK). De Unseen Book Market heeft dit jaar een buitengewoon internationaal karakter met deelnemers uit China, Zwitserland, Japan, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Oekraïne, Duitsland, België, Italië en Polen.
Dit jaar zijn onder meer nieuwe uitgaven te verwachten van fotografen als Ruth van Beek, Robin de Puy, Anton Corbijn en Stephan Vanfleteren. Verschillende deelnemers organiseren signeersessies, waardoor je de kans krijgt om een extra bijzondere editie mee naar huis kunt nemen. Meer informatie daarover volgt later. Toegang tot de Unseen Book Market is gratis.
Wat de Unseen Book Market zo geliefd maakt, is de directe ontmoeting met het boek als object. Fotografieboeken zijn een relatief betaalbare manier om fotografie te verzamelen: een boek is vaak de eerste en meest toegankelijke instap in een oeuvre. Bovendien functioneren ze niet zelden als verzamelobject op zichzelf. Eerste edities, en zeker gesigneerde exemplaren kunnen daarbij enorm in waarde toenemen. Maar belangrijker: je steunt fotografen en onafhankelijke uitgevers rechtstreeks. Daarnaast krijg je in één ruimte inzicht in internationale ontwikkelingen en vergroot daarmee zowel je kennis als je referentiekader.
Het Nederlands Fotomuseum presenteert gelijktijdig drie tentoonstellingen die allemaal op hun eigen manier iets zeggen over wat fotografie kan zijn. In de Eregalerij van de Nederlandse Fotografie wordt de breedte van het nationale fotoerfgoed belicht. De expositie ‘Ontwaken in Blauw’ is een ode aan de cyanotypie: van de oudste fotografische technieken ter wereld, waarbij je met ijzerzout en UV-licht afdrukken maakt in Pruisisch blauw. En de tentoonstelling ‘Rotterdam in Focus’ brengt 180 jaar stadsfotografie samen in meer dan driehonderd beelden, van een vroege opname uit 1843 tot hedendaagse drone-panorama’s. Toegang tot deze tentoonstellingen is niet inbegrepen bij een bezoek aan de Unseen Book Market.

Geschreven door Flor Linckens
Dit jaar viert de NN Art Award haar tiende editie. De jaarlijkse stimuleringsprijs van €10.000 gaat naar een getalenteerd kunstenaar die een opleiding in Nederland afrondde en werk presenteert op Art Rotterdam (27-29 maart in Rotterdam Ahoy). De vakjury nomineerde vier kunstenaars: Fiona Lutjenhuis (Galerie Fleur & Wouter), Tina Farifteh (Gallery Vriend van Bavink), Mandy Franca (Night Café Gallery) en Kyra Nijskens (Prospects / Mondriaan Fonds). Van 14 maart tot en met 25 mei 2026 is het werk van alle genomineerden te zien in Kunsthal Rotterdam.

In het recente werk van Kyra Nijskens vormt biofouling een belangrijke rode draad: het proces waarbij mariene organismen als oesters, mosselen en algen zich hechten aan kunstmatige oppervlakken als scheepsrompen en onderzeese pijpleidingen. Deze organismen liften ongemerkt mee op mondiale handelsroutes en nestelen zich in ecosystemen die daar niet op zijn ingericht. Andersom zijn de kunstmatige (infra)structuren zelf (de schepen, containers en onderzeese infrastructuur) niet ontworpen om leefgebied te worden voor deze organismen. Opvallend is de taal die daarbij wordt gebruikt: binnen kapitalistische kaders worden zulke soorten al snel bestempeld als kolonisten of invasieve soorten, terwijl ze in hun oorspronkelijke leefomgeving namen dragen als ‘lucky clam’ of ‘golden clam’. Wat de logistieke industrie een technisch probleem noemt, leest Nijskens als een vorm van verzet. In haar sculpturen en installaties onderzoekt ze de frictie tussen industriële systemen en de organismen die zich daarin wringen. Menselijke systemen verstoren en vervormen ecologische processen, die zich op hun beurt aanpassen, transformeren en overleven. Nijskens maakt van die dynamiek een spannende metafoor en verschuift het perspectief: niet het systeem, maar het organisme krijgt de hoofdrol.
Door het fenomeen biofouling te belichten, toont Nijskens hoe natuurlijke processen zich nestelen in de marges van door mensen ontworpen systemen. Tegelijkertijd verdwijnen jaarlijks meer dan duizend zeecontainers in de oceaan. Aangespoelde plastic producten uit verloren ladingen zijn de zichtbare symptomen van een onhoudbaar systeem. Eigenlijk komen hier twee parallelle bewegingen samen: de biologische en de economische, die elkaar ontmoeten op de oceaan. Haar installaties suggereren een wereld waarin menselijke controle relatief blijkt en waarin leven, zelfs binnen de meest strak georganiseerde systemen, veerkrachtig is en uiteindelijk zijn eigen weg vindt.

Nijskens’ praktijk beweegt zich op het grensvlak van sculptuur, installatie en conceptueel onderzoek. Zelf zegt ze daarover: “In mijn praktijk gaat het me minder om het verbeelden van de natuur, en meer om het werken in dialoog ermee. Ik zoek naar momenten waarop haar patronen de verhalen die wij onszelf vertellen (over wat van ons is en wat niet) kunnen bevragen of ontregelen. Mijn benadering beweegt zich tussen poëtische reflectie en kritische analyse, en richt zich op de manieren waarop menselijke activiteit ecologische en culturele landschappen hervormt.”
Tijdens haar residentie bij PADA Studios eind 2024 in Barreiro (Portugal), een historisch vertrekpunt van vroege koloniale expedities, ontwikkelde ze de serie ‘The Thief of Tides’. Vanuit die context traceerde ze de routes van organismen die meereisden op schepen en schreef ze teksten vanuit hun perspectief. Gevonden schelpen van het nabijgelegen strand kwamen daarbij samen tot wat ze zelf omschrijft als hybride technofossielen, als fossielen van een toekomstig tijdperk die tegelijk biologisch en industrieel aanvoelen.
Materiaal speelt daarbij een belangrijke rol. Nijskens werkt met gevonden en nieuwe materialen als parelmoer, hars, roest, textiel, plexiglas, touw, bloed in poedervorm, metaal en zowel echte als kunstmatige parels. Ze experimenteert met biohars en onderzoekt hoe natuurlijke structuren kunnen worden gebogen, gecombineerd of getransformeerd tot nieuwe vormen. Voor haar eerdere installatie ‘Rusted Mouths, Hollow Veins’ boog ze moederparelschelpen bijvoorbeeld chemisch om tot iets dat natuurlijk glasvezel benadert.

Kyra, kun je ons wat meer vertellen over het werk dat je presenteert op Art Rotterdam en in Kunsthal Rotterdam?
Zowel in Kunsthal Rotterdam als in de Prospects sectie op Art Rotterdam toon ik werk uit ‘The Thief of Tides’: een project dat ik in 2024 ben begonnen tijdens die residentie in Portugal, dicht bij de zee en een verlaten industriegebied. Ik maakte daar lange wandelingen en kwam uit bij met schelpdieren overgroeide industriële oppervlakken. Zo raakte ik gefascineerd door het fenomeen biofouling. Biofouling betekent ‘biologische vervuiling’, een term die ik een beetje paradoxaal vind, omdat ‘biologisch’ hier een negatieve lading krijgt. Vaak wordt het gezien als een probleem of inefficiëntie, maar ik vind het poëtisch hoe het leven zich blijft manifesteren op plekken die zijn ontworpen om het uit te sluiten. Voor mij gaat biofouling over lichamen die niet passen, maar toch blijven. Over aanwezigheid als een vorm van queer verzet, zichtbaar in de rafelranden van mondiale systemen.
Ik volg deze reizen en probeer me voor te stellen hoe ze eruitzien vanuit het perspectief van die organismen zelf. In poëtische teksten, geschreven vanuit hun perspectief, geef ik ze een stem en beschrijf ik hoe ze zich vastklampen en ontregelen. Vanuit dit onderzoek is ook de serie ‘Clogged Pipe’ sculpturen ontstaan, waarin ik me voorstel wat je ziet wanneer je een leiding doormidden snijdt en deze organismen zichtbaar worden. Vanuit datzelfde denken ben ik ook andere lekken in globale logistieke systemen gaan onderzoeken. Elk jaar verdwijnen duizenden zeecontainers in de oceaan, met vaak absurde en mythische gevolgen. Soms duikt hun inhoud jaren later weer op: stranden vol Crocs, gele badeendjes die een eigen leven zijn gaan leiden in oceaanstromen, sommige zelfs jarenlang ingevroren in Arctisch ijs. Dit gegeven vormt de basis voor nieuw werk. In deze serie gebruik ik een rugzak als mini-container: een ogenschijnlijk gezonken menselijk object, gevuld met zeeorganismen en resten van verloren lading. In segmenten gesneden wordt de rugzak een hybride technofossiel: een object waarin economie en ecologie, verval en overleving samenkomen. Werk uit die laatste twee series zal ik ook laten zien in de Prospects sectie van het Mondriaan Fonds op Art Rotterdam.

Wat zijn je plannen voor 2026?
In 2026 ga ik op residentie naar Ebeltoft, een klein historisch stadje aan de Deense kust. Het is een plek waar de zee dichtbij is, en waar eeuwen van handel, scheepvaart en ingrepen in het landschap voelbaar zijn. Ik wil daar veel veldonderzoek gaan doen, materiaal verzamelen, onderwaterstructuren bestuderen, nieuwe sculpturale vormen ontwikkelen en bovenal reageren op wat ik tegenkom.
Tegelijkertijd heb ik de wens om daar een film te maken: een experimentele, alternatieve vertelling over hybride lichamen, zeestemmen en zeemeerminnen die hun stem verliezen door zich te conformeren aan de norm. Die film zie ik als een intuïtieve aanvulling op mijn sculpturale werk: een onderzoek naar stem, stilte en wat er verloren gaat wanneer je probeert te passen. Het lijkt me geweldig om mijn sculpturen binnen deze context te gebruiken en zo een eigen wereld te creëren.
Kun je beschrijven hoe je je voelde toen je hoorde dat je was genomineerd voor de NN Art Award?
Ik was oprecht verrast, en vooral heel blij. Ik volg deze prijs al jaren en veel kunstenaars die ik bewonder, waren eerder genomineerd. Ook de kunstenaars die dit jaar meedoen, vind ik ontzettend sterk. Dat ik nu zelf genomineerd ben geeft me het gevoel dat mijn werk wordt gezien en gewaardeerd, en dat is natuurlijk een groot compliment! Het is extra speciaal om mijn werk in Kunsthal Rotterdam te tonen. Ik woon al jaren in Rotterdam en de haven is op allerlei manieren onderdeel geworden van hoe ik werk en denk. Dat ik mijn werk hier mag laten zien voelt heel passend.

Welk project zou je onmiddellijk oppakken als je de award zou winnen?
Als ik de award zou winnen, zou ik meteen beginnen aan de experimentele kortfilm waar ik al langere tijd over nadenk. Film is nieuw voor mij en daarom voelt het spannend. Ik ben altijd op zoek naar nieuwe media en manieren om te experimenteren, en dit project geeft me de kans om mijn materiaalkennis op een hele andere manier te gebruiken, binnen film. Normaal werk ik vooral alleen, maar film dwingt me samen te werken met anderen, en dat lijkt me ontzettend leuk en leerzaam. De award zou me vooral de ruimte geven om dit experiment echt helemaal te onderzoeken en tot leven te brengen.

Kyra Nijskens werd in 1997 geboren in Ulestraten. Ze studeerde Beeldende Kunst aan de HKU en behaalde haar Master aan het Piet Zwart Institute in Rotterdam. Haar werk was eerder te zien bij onder meer Marres, MaMA, Het HEM en Museum Villa Mondriaan.
Het werk van Nijskens is tijdens Art Rotterdam te zien in de Prospects sectie van het Mondriaan Fonds, waar het publiek kennis kan maken met een nieuwe generatie kunstenaars. Tijdens deze veertiende editie toont de tentoonstelling werk van 92 startende kunstenaars die in 2024 financiële steun ontvingen binnen de regeling Kunstenaar Start, om daarmee de start van hun carrière te ondersteunen. De expositie wordt gecureerd door Johan Gustavsson en Daphne Verberg.
De winnaar van de NN Art Award 2026 wordt bekendgemaakt op vrijdag 27 maart in Kunsthal Rotterdam. Tijdens deze feestelijke avond zijn alle tentoonstellingen, inclusief de NN Art Award tentoonstelling, vrij toegankelijk voor genodigden.
Geschreven door Flor Linckens
Hoe kneed je materialen met dezelfde gevoeligheid waarmee je woorden tot schrijven vormt? De onderzoeksgerichte praktijk van beeldend kunstenaar Gloriya Avgust (1993, Bulgarije) beweegt zich tussen tekst, sculptuur en performance, waarin ze de materialiteit van taal op een uitgesproken lichamelijke wijze benadert.

Avgust is een gretige lezer en heel geïnteresseerd in feministische theorie. De vrouwelijke stem als onderzoeksobject en de manieren waarop vrouwen doorheen de geschiedenis systematisch het zwijgen werden opgelegd, spreken haar in talloze opzichten aan. Schrijvers als Audre Lorde, Anne Boyer en Gloria Anzaldúa behoren tot de vele krachtige stemmen die haar artistieke praktijk hebben gevoed. “Ik zag hoe kwetsbaar en monddood vrouwen kunnen worden binnen extractieve systemen die zich niet werkelijk om hun lichamen bekommeren. Dat bracht mij bij feministische schrijvers die die ervaringen al hadden doorgemaakt.” Het onderzoek wordt nooit rechtstreeks aangesneden, maar doordrenkt haar werk.
Avgust behaalde in 2021 haar MFA aan Sint-Lucas Antwerpen en in 2023 aan het Piet Zwart Institute in Rotterdam. Ze is een van de 92 opkomende kunstenaars die recent een Kunstenaar Start-beurs ontvingen van het Mondriaan Fonds, wat haar in staat stelde een residentie in Bulgarije te ondernemen. Dat inspireerde haar nieuwste werk Performing a State of Permanence (2026), een keramische installatie die wordt getoond in de Prospects-sectie van Art Rotterdam.

Belichaamde tekst en gebaren
Vrouwenproblemen: Spinning the Mechanisms of Troublemaking (2025) is een sterk voorbeeld van haar veelzijdige en intersectionele praktijk. De performance werd ontwikkeld samen met Andrea Celeste La Forgia, een beeldend kunstenaar die eveneens exposeert in de Prospects-sectie van de beurs. Conceptueel vertrekt het werk vanuit twee onderzoekslijnen die samenkomen in één polyfone vertaling.
“Ik heb altijd een affiniteit gehad met taal,” legt Avgust uit. “En vaak vormt mijn schrijven het fysieke werk, waarin het wordt uitgevoerd of belichaamd in choreografische gebaren.” De bewegingen in deze performance zijn geïnspireerd door The Weaver Speak, een verborgen non-verbale taal die vrouwen in de textielfabriek in Tilburg ontwikkelden om in het geheim te communiceren. Het script in de performance is een mengvorm van archiefmateriaal en speculatieve schrijfvormen.
Avgust en Celeste La Forgia deden ook onderzoek naar het Spinhuis in Amsterdam, de eerste heropvoedingsinstelling en gevangenis voor vrouwen die door vrouwen werd geleid. Wat aanvankelijk revolutionair leek in het beschermen van vrouwen tegen misbruik in gemengde gevangenissen, huisvestte uiteindelijk een andere vorm van misbruik. “De vrouwen leerden wol spinnen en verrichtten in feite onbetaalde arbeid. In het weekend kwam de bourgeoisie hen bekijken alsof ze een soort attractie waren,” zegt Avgust.

Een ander sprekend voorbeeld van haar performatieve praktijk is Slippages Of The Mouth (2025), eveneens een samenwerking met Andrea Celeste La Forgia. De beeldtaal van de performance grijpt terug op het fotografisch archief van de controversiële Franse neuroloog Jean-Martin Charcot, die hysterie onderzocht, een diagnose die vrijwel uitsluitend op vrouwen werd toegepast. Charcot organiseerde publieke demonstraties waarin patiënten hun zogenaamd hysterische aanvallen moesten ensceneren. Deze sessies werden gefotografeerd, en omdat fotografie destijds lange belichtingstijden vereiste, moesten de vrouwen deze theatrale poses langdurig aanhouden.
Performing a State of Permanence
Performing a State of Permanence (2026) is nog in ontwikkeling en zal in Prospects worden tentoongesteld. Het keramische werk bouwt verder op het motief van de breuk dat door Avgust’ praktijk loopt. Een ambigue opening die tegelijk een taalkundige scheur en een fysieke snijdende geste uitbeeldt en een projectie is van gewelddadige dierlijkheid op het vrouwelijke lichaam.
“Sappho, een Oud-Griekse queer dichter wiens werk enkel in fragmenten is overgeleverd, heeft mijn keramisch werk sterk geïnspireerd. Een groot deel van haar schrijven bestaat uit losse flarden, met ontbrekende of afgebroken regels. Ik vind dat een prachtige visuele verbeelding van het scheuren van taal, van strofen, van betekenis. En ik wilde dat scheuren fysiek vertalen naar keramiek. De opening kan een mond zijn met een tong en keel, maar evengoed lijken op een vagina en baarmoederwand. Ik ben gefascineerd door de theatraliteit van iets dat kan openen en sluiten, onthullen, verbergen, dreigen, mystificeren, en het potentieel heeft een soort podium te worden.”
Het beeld van de mond als verslindend orgaan plooit terug op Charcots fotografie, waarin vrouwenlichamen werden geënsceneerd als plaatsen van hysterische, dierlijke excessen. Avgust plaatst scherpe rijen tinnen tanden in de opening, alsof er een abstract monsterlijk wezen binnenin leeft.

De stem van glas
Tijdens haar kunstenaarsresidentie in Bulgarije verdiepte Avgust zich in spirituele rituelen met heidense wortels. “Wat mij opviel, is dat veel van die kennis niet degelijk werd gedocumenteerd of gearchiveerd, omdat ze vooral via mondelinge overlevering en liederen werd doorgegeven,” zegt ze. Eén ritueel sprong er voor haar uit. “In het Oude Griekenland geloofde men dat de vrouwelijke stem zo kakofonisch en schril was dat wanneer vrouwen samenkwamen en door merg en been huilden op straat, ze een poort naar de onderwereld konden openen.” De praktijk werd uiteindelijk verboden omdat ze als lelijk en te ontwrichtend werd beschouwd. Toch bestaan gelijkaardige tradities vandaag nog in Bulgarije en andere Oost- en Zuid-Europese landen, al worden ook die als excessief bestempeld.
Vanuit een patriarchaal perspectief wordt vrouwelijke verbondenheid vaak voorgesteld als onschuldig of vrolijk, terwijl alles wat daarvan afwijkt snel als ontregelend wordt gezien. “Toch kwamen veel van die rituelen voort uit collectieve rouw en gedeeld lijden,” legt Avgust uit.
Ze verbindt deze denklijn met Anne Carsons essay The Gender of Sound in haar boek Glass, Irony and God. Carson observeert hoe de vrouwelijke stem historisch werd gedisciplineerd in toon, volume en emotioneel bereik, en reflecteert op glas als materiaal dat die spanning in zich draagt: door glas kan men iemand zien of horen, en toch op afstand houden.
Het voelt bijna onwaarschijnlijk wanneer Avgust vertelt dat het Bulgaarse woord voor stem fonetisch overeenstemt met “glass” in het Engels. Een toevallige samenloop die haar praktijk ongetwijfeld verder zal inspireren, waarin taal en materialen elkaar symbiotisch blijven voeden.
Ontdek haar nieuwste werk Performing a State of Permanence (2026) in de Prospects-sectie van Art Rotterdam.
Geschreven door Emily van Driessen