Coming soon
Coming soon
Selecteer type
Met een onzekere tred komt een oudere vrouw de trap af. Met haar rechterhand houdt ze de leuning vast. Op de achtergrond wordt een tekst gedeclameerd in een taal die lijkt op het Duits en de onze, maar die je niet helemaal kan verstaan. De dame schuifelt naar het podium, draait zich om naar de lege zaal toe en buigt. Nog een paar seconden is het stil, daarna klinkt er muziek.

Het is de openingsscene van Mir Zaynen Do! (We are here!) de nieuwe, korte film van de Israëlische kunstenaar Yael Bartana. De film, gemaakt in opdracht van Joodse kunstruimte Casa do Povo uit São Paulo, Brazilië, is op Art Rotterdam te zien in de Projections-sectie. Daarnaast is in Sculpture Park een sculptuur van Bartana te zien. Gelijktijdig is in de Amsterdamse galerie nieuw werk van haar te bezichtigen.
Samen met Ersan Mondtag vertegenwoordigde Yael Bartana afgelopen jaar Duitsland op de Biënnale van Venetië met een indrukwekkende installatie in het Duitse Paviljoen. Haar presentatie complex en omvangrijk. Ze besloeg vier ruimtes van het paviljoen en werd getekend door contrasten: optimisme en pessimisme, utopie en dystopie, sci-fi en eeuwenoude tradities.
In de eerste, groen verlichte, ruimte hing een zeven meter lang schaalmodel van een ruimteschip. In de ruimtes daarop volgden onder meer de film Farewell, tekeningen en een 3d-model van het ruimteschip. In die ruimtes werd duidelijk waaraan het ruimteschip refereert. Het ruimteschip bood de bezoeker een uitweg uit een wereld die op de rand staat van ecologische en politieke destructie, ergens in de nabije of iets verdere toekomst.

In de pers werd het Duitse paviljoen geroemd als een van de hoogtepunten van de Biënnale. De New York Times nam haar op als een van de ‘8 Hits of the Venice Biennale’. Ook andere toonaangevende publicaties rekenden het Duitse paviljoen tot de hoogtepunten, waaronder The Art Newspaper en ARTnews.
Yael Bartana (Israël, 1970) studeerde aan de Bezalel Academy in Jerusalem en kwam in 2001 naar Amsterdam voor deelname aan het residentieprogramma van de Rijksakademie. Haar werk is op veel plaatsen ter wereld geëxposeerd en is opgenomen in de collecties van het Centre Pompidou, het Guggenheim, het MoMA, Tate en het Walker Art Center in Minneapolis. In Nederland is haar werk aangekocht door het Stedelijk Museum Amsterdam, het Kunstmuseum en het Van Abbemuseum. Bartana woont en werkt in Amsterdam en Berlijn. In haar films, installaties, fotografie en performances onderzoekt ze onderwerpen als nationale identiteit, trauma, en ontheemding, vaak aan de hand van ceremonies, gedenkplaatsen en publieke rituelen.
Mir Zayen Do! is daarop geen uitzondering, veel van deze elementen komen in de 11 minuten durende film aan bod. Zo horen we de taal Jiddisch en speelt de film zich af in het auditorium van Casa do Povo, een van de bolwerken van verzet tegen de Braziliaanse dictatuur in de jaren ’70. De oudere dame – gekleed in het zwart met een parelketting – is de dirigent van Coral Tradição, een Jiddisch koor uit Casa do Povo dat al decennialang slaapliedjes en protestliederen zingt.
Na een paar minuten verschijnen er andere mensen in de deuropening. Iemand draagt een aureool gemaakt van takken, een zwarte man met ontbloot bovenlijf en een lange rok, en een vrouw die lijkt te zijn gehuld in een traditioneel West-Afrikaans gewaad. Het zijn de leden van Ilú Obá De Min, een door vrouwen geleide Afro-Braziliaanse percussiegroep die muziek speelt die verbonden is met hun voorouders. Ze nemen plaats op de vervallen theaterstoelen.

De film brengt ons in contact met twee groepen die een diaspora identiteit delen, hoewel hun geschiedenissen en realiteiten heel verschillend zijn. Beide groepen werden verdreven of gedwongen hun thuisland te verlaten, maar slaagden erin om via collectief zingen en muziek maken hun cultuur, overtuigingen en rituelen te behouden en hun strijd voort te zetten.
De titel van film is een citaat uit een Jiddisch gedicht dat bekend werd als het Partizanenlied (Hirsch Glik, 1943). De titel kan worden opgevat als een oproep aan degenen die achterbleven op de plaats van vertrek. Maar gezien het verloop van de film, kan deze ook gelezen worden als een aanmoediging om nieuwe identiteiten te ontwikkelen – bovenop de oude – in een relatief nieuwe omgeving. In de tweede helft van de film ontstaat dan ook een hybride vorm van Ilú’s drumritmes en de koorzang van Coral Tradição, waardoor de grenzen tussen de ene en de andere groep vervagen.Mir Zaynen Do! van Yael Bartana is van 27 tot en met 30 maart te zien op Art Rotterdam in de Projections sectie.

– Mir Zaynen Do! van Yael Bartana is van 27 tot en met 30 maart te zien op Art Rotterdam in de Projections sectie.
– De tentoonstelling in de galerie is van 15 maart tot en met 10 mei te zien in Amsterdam.
Geschreven door Wouter van den Eijkel
Voor het negende jaar op rij wordt de NN Art Award in 2025 uitgereikt aan een veelbelovende kunstenaar die werk toont tijdens Art Rotterdam. De genomineerde kunstenaars zijn Diana Scherer (andriesse eyck galerie), Marcos Kueh (Prospects sectie van het Mondriaan Fonds, courtesy Galerie Ron Mandos), Pris Roos (Mini Galerie) en Bodil Ouédraogo (Prospects sectie van het Mondriaan Fonds). Het werk van de vier genomineerden wordt van 15 maart tot en met 11 mei gepresenteerd in Kunsthal Rotterdam.

Bodil Ouédraogo (1995) is een interdisciplinaire beeldend kunstenaar met een focus op the art of dressing up. In haar gelaagde werk onderzoekt ze hoe we waarde en status toekennen aan objecten en mensen. Ze bestudeert verschillende ‘culturele instrumenten’ die die waarde of legitimiteit bepalen, zoals framing, conservering en afstand nemen. Door deze mechanismen te ontleden en opnieuw in te zetten, creëert ze beweging in onze beleving van vastgeroeste ideeën over mensen en objecten. Voor Ouédraogo is the art of dressing up veel meer dan alleen kleding – het is een culturele context, een taal waarin historische en sociale betekenissen samenkomen. Vanuit haar biculturele achtergrond, met wortels in Nederland en Burkina Faso, verweeft ze materialen, technieken en culturele referenties uit West-Afrika en Europa tot sculpturale objecten en installaties die niet alleen bedoeld zijn om te worden bekeken, maar ook om te worden ervaren. Ze verdiept zich daarbij telkens in andere aspecten, uitgewerkt in aparte artistieke hoofdstukken, en combineert culturele elementen die op het eerste gezicht soms ver uit elkaar lijken te liggen.
Een rode draad in haar werk is de manier waarop we onszelf presenteren in verschillende ruimtes, waarbij kleding fungeert als een archief van erfgoed en identiteit. Ouédraogo zoekt naar manieren om alle facetten van het zelf te eren, met een bijzondere belangstelling voor degenen die ons zijn voorgegaan. Haar installaties en performances, waarin textiel, dans, video, fotografie, geluid en sculptuur samenkomen, resulteren in nieuwe narratieven. Ze ontwikkelen zich tot innovatieve, hybride vormen waarin mode verwordt tot een conceptueel en kritisch medium.
Ouédraogo ziet identiteit niet als een verzameling van losse elementen, maar als een netwerk van verbonden verhalen die samen een geheel vormen en actief naar verbinding zoeken. In haar werk maakt ze deze gelaagdheid zichtbaar, terwijl ze vergeten of over het hoofd geziene aspecten van identiteit herontdekt. Daarbij onderzoekt ze de wisselwerking tussen verschillende aspecten binnen de Zwarte cultuur en de Europese Afro-diaspora. Haar multidisciplinaire praktijk leidt tot een rijke, gelaagde materialiteit waarin the art of dressing up tot leven komt. Wanneer het werk onderdeel wordt van een gedeelde realiteit dan ontstaat er bovendien een collectieve ervaring.

Tijdens haar recente onderzoek raakte Ouédraogo gefascineerd door traditionele West-Afrikaanse sculpturen en de houdingen, dragers en posities van het lichaam die daarin tot uiting komen. Veel van deze kunstwerken werden als roofkunst naar Europa gebracht en bevatten details die haar inspireren. Op Art Rotterdam presenteert Ouédraogo 3D-geprinte sculpturen in PLA (een biologisch afbreekbare kunststof), gegoten aluminium en gekleurd glas, in samenwerking met professionele ateliers als Audrey Large, Studio Lemarez en Van Tetterode Glas Studio. Deze objecten verkennen hoe lichamen zich tot elkaar verhouden en hoe materialiteit kan bijdragen aan een diepere verbinding met degenen die ons zijn voorgegaan. Voor deze serie vertaalt Ouédraogo traditionele West-Afrikaanse houten sculpturen uit de privécollectie van haar vader, Mamadou Ouédraogo, naar een hedendaagse context, waarbij ze de grens tussen mens en sculptuur verder verkent.
In haar installaties speelt beweging ook een cruciale rol. Tijdens Amsterdam Fashion Week en in het Stedelijk Museum presenteerde Ouédraogo performances waarin dansers oversized, halftransparante grand-boubous en driedelige pakken droegen, waarop projecties werden geënsceneerd. Het lichaam vormt hier een levend archief, waarin stof, lichaam en beweging een dialoog aangaan. Mode wordt zo een dynamisch medium dat steeds opnieuw betekenissen krijgt.
Ouédraogo’s praktijk wordt gevoed door intensief onderzoek naar de geschiedenis van het zelf en de manieren waarop we ons presenteren. Ze laat zich inspireren door onderzoek naar the art of dressing up binnen de Afro-diaspora en in West-Afrika, waar ze familiebezoeken combineert met onderzoek in Burkina Faso, maar ook in Mali, Ghana en Nigeria. Deze kennis vertaalt ze naar een visuele taal die zowel persoonlijk als universeel is.
Tijdens Art Rotterdam is haar werk te zien in de 13e editie van Prospects, een initiatief van het Mondriaan Fonds. In deze tentoonstelling wordt het werk gepresenteerd van 116 kunstenaars die in 2023 een financiële bijdrage ontvingen om een start te maken met hun carrière. De sectie wordt samengesteld door Johan Gustavsson en Louise Bjeldbak Henriksen. Bekijk hier alle Prospects kunstenaars.
Kun je ons wat meer vertellen over het werk dat je presenteert op Art Rotterdam en in de Kunsthal?
In mijn werk zoek ik naar verbindingen tussen verschillende culturele manieren van ‘zelfpresentatie’. Ik onderzoek de ‘culturele instrumenten’ die waarde of legitimiteit toekennen aan objecten of mensen. Door deze instrumenten te ontleden en opnieuw toe te passen, probeer ik beweging te brengen in de manier waarop we vaste ideeën over mensen of objecten ervaren. Ik herschik de omgeving door een alternatief te presenteren dat een nieuw perspectief mogelijk maakt. Daarmee toon ik een andere hiërarchie dan de gebruikelijke, door stijlen te combineren die elkaar zowel versterken als bevragen. Samen geven ze me een bredere en meer verankerde visie op hoe ik me kan wortelen.

Voor de werken die ik presenteer in de Kunsthal en op Art Rotterdam geef ik vorm aan Afrikaanse houten sculpturen uit de persoonlijke collectie van mijn vader, Mamadou Ouédraogo. In deze erfstukken weerspiegelt zich hoe de generaties voor ons lichamen tot uitdrukking brachten in sculpturen. Wat kan ik leren van de manier waarop deze lichamen poseren? Hoe kunnen we ons verhouden tot degenen die ons voorgingen? En hoe geven we vorm aan een verbeelding waarin al deze lagen transparant en met elkaar verweven zijn? Ik geloof dat het tonen van al deze facetten van het zelf, en het belichten van vergeten of verwaarloosde delen, vraagt om radicale verbeeldingskracht. Het innemen van ruimte door een alternatief te presenteren waarin verbondenheid centraal staat.
Mijn werk onderzoekt hoe we poseren, hoe we onszelf dragen en positioneren. Een verlangen naar degenen die ons voorgingen, naar het uitdrukken van saamhorigheid via materiële erfstukken. Ik probeer daarbij de menselijke intimiteit van de West-Afrikaanse houten sculptuurtraditie vast te leggen. Door verschillende intieme poses op menselijke schaal te vergroten geef ik uitdrukking aan de verbinding tussen generaties — en ik stel voor om hen ruimte te geven in het heden.
Wat zijn je plannen voor 2025?
Ik wil dieper ingaan op de grens tussen mens en sculptuur – hoe kan ik deze sculpturen eenzelfde gevoel van waardigheid geven? Ik kijk ernaar uit om nieuwe technieken te ontwikkelen en mezelf uit te dagen in de werkplaats. Mijn doel is een visuele ervaring te creëren waarin ik een alternatieve realiteit verbeeld, iets wat zich niet in een bestaande categorie laat plaatsen. Een vervreemdende, bijna sciencefictionachtige wereld. In oktober is mijn werk te zien in een solotentoonstelling bij Melkweg Expo in Amsterdam.

Kun je beschrijven hoe je je voelde toen je hoorde dat je was genomineerd voor de NN Art Award?
Het is bijzonder om te ervaren dat mensen zien wat je doet en erin geloven. Ik voel me bevoorrecht om dit vertrouwen te mogen ontvangen. Mijn dank gaat uit naar NN en Art Rotterdam voor deze waardevolle kans. Dat we ons werk ook in Kunsthal Rotterdam mogen tonen maakt het extra bijzonder.
Welk project zou je onmiddellijk oppakken als je de award zou winnen?
Ik zou graag de mogelijkheden van glas- en aluminiumgieten onderzoeken en verder ontwikkelen, aangezien dit kostbare materialen zijn. Het winnen van de prijs zou me de vrijheid geven om mijn ideeën volledig uit te werken.
Bodil Ouédraogo studeerde Mode aan ArtEZ en aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam, waar ze woont en werkt. In 2019 won ze de Dutch Design Award in de categorie Young Designer en in 2022 ontving ze de Amsterdamprijs voor de Kunst. Haar werk ‘My Hair, a Border’ maakt deel uit van de collectie van het Stedelijk Museum, waar het op dit moment te zien is in de vaste collectieopstelling ‘NOW – 1980’. Haar werk werd bovendien gepresenteerd op de Gwangju Biënnale 2024 en Dutch Design Week, in het Textielmuseum, het Nieuwe Instituut en Framer Framed. Daarnaast ontwierp Ouédraogo een collectie voor modehuis Patta. In 2023 werd ze door Het Financieele Dagblad uitgeroepen tot een van de vijftig FD Talents van het jaar.
De winnaar van de NN Art Award 2025 wordt bekendgemaakt op vrijdag 28 maart om 20.00 uur in Kunsthal Rotterdam. Tijdens deze feestelijke avond zijn alle tentoonstellingen, inclusief de NN Art Award tentoonstelling, vrij toegankelijk te bezichtigen voor de aanwezige gasten.
Geschreven door Flor Linckens
Voor het negende jaar op rij wordt de NN Art Award in 2025 uitgereikt aan een veelbelovende kunstenaar die werk toont tijdens Art Rotterdam. De genomineerde kunstenaars zijn Diana Scherer (andriesse eyck galerie), Marcos Kueh (Prospects sectie van het Mondriaan Fonds, courtesy Galerie Ron Mandos), Pris Roos (Mini Galerie) en Bodil Ouédraogo (Prospects sectie van het Mondriaan Fonds). Het werk van de vier genomineerden wordt van 15 maart tot en met 11 mei gepresenteerd in Kunsthal Rotterdam.

Pris Roos (1984) is een multidisciplinaire kunstenaar, onderzoeker en verhalenverteller. Haar praktijk beweegt zich tussen schilderkunst, spoken word, video, performance en installaties. In haar werk onderzoekt ze thema’s als identiteit — waaronder haar eigen geleefde ervaring als queer vrouw met een biculturele achtergrond — migratie, (gekozen) familie en herinnering. Ze verweeft persoonlijke verhalen met die van anderen en geeft zo een stem aan mensen die, net als zij, tussen verschillende culturen en identiteiten bewegen. Haar praktijk vormt op die manier een brug tussen persoonlijke geschiedenissen en een gedeeld collectieve geheugen.
Haar jeugd in de toko van haar familie, die vanuit Indonesië naar Nederland emigreerde, vormt daarbij een belangrijke inspiratiebron. Voor Roos is de toko meer dan een winkel; het is een stukje Indonesisch erfgoed, een ontmoetingsplek waar verschillende culturen samenkomen en waar geuren en kleuren vermengen. Nog steeds helpt ze regelmatig mee in de winkel, om haar ouders te ondersteunen en deelgenoot te blijven van deze gemeenschappen. Dit idee van gedeelde verhalen en sociale netwerken komt steeds terug in haar kunst, waarbij Roos goed kijken en luisteren inzet als effectief instrument. Ze werkt daarbij opvallend dicht op de huid. Dat is interessant omdat ze dit soort gesprekken juist minder makkelijk aangaat met haar eigen ouders, die niet graag praten over hun familieverleden.

Roos’ werk is sterk sociaal en narratief van aard. Haar portretten en installaties zijn niet afstandelijk: het zijn intieme reflecties op de mensen die ze ontmoet. Ze werkt vaak met alledaagse materialen zoals karton, bruin canvas en bruinpapier, die elkaar soms overlappen. Op die manier krijgen haar werken een gelaagde, ruwe kwaliteit die past bij de dynamiek van de verhalen die ze vertelt. Ze combineert traditionele technieken met elementen uit de straatcultuur, popcultuur en activisme. Ook spoken word en geluid spelen een rol in haar installaties, die op die manier echt tot leven komen.
Kun je ons wat meer vertellen over het werk dat je presenteert op Art Rotterdam en in de Kunsthal?
Het werk dat ik presenteer op Art Rotterdam en in de Kunsthal gaat over representatie, samenkomen en het alledaagse leven. In de Kunsthal zijn voornamelijk mijn levensgrote installaties van karton te zien, waarin mensen worden getoond in hun eigen leefruimte. Dit zijn personen die de kijker nog niet kent, maar die ik beter heb leren kennen door middel van gesprekken en regelmatige ontmoetingen. We hebben daarbij gesproken over familie, identiteit en de belangrijke momenten in hun leven. Voor mij zijn dit voorbeelden, helden van de wereld. Op Art Rotterdam, in de stand van Mini Galerie, toon ik vooral kleinere werken met verschillende straatbeelden. De straat is een plek waar ik me altijd thuis heb gevoeld, waar zoveel verschillende mensen bij elkaar komen. Het laat het alledaagse zien. Mijn werk is in die zin vrij direct en simpel.

Wat zijn je plannen voor 2025?
Mijn plannen voor 2025 zijn het maken van mijn eigen prentenboek over de toko van mijn ouders. [Dit jaar verschijnt Roos’ eerste kinderboek ‘PRIS – De Toko’ bij Uitgeverij de Harmonie, red]. Het verhaal gaat over mijn moeder, die op een dag verdwijnt uit de toko, waarna we haar zoeken in de fantasiewereld waarin de toko is getransformeerd. De tekeningen representeren producten uit de winkel, zoals kousenband, kurkuma en bamisoep. Mijn werken zijn vaak portretten van mijn omgeving, maar dit keer gebruik ik echt mijn fantasie en creëer ik eigen werelden en dat vind ik heel spannend. Daarnaast wil ik graag levensgrote installaties maken van de tekeningen en hier een tentoonstelling aan koppelen. Verder staan er tentoonstellingen gepland in Zaandam en Parijs, een bezoek aan de Liverpool Biënnale, en neem ik ook even de tijd om tot rust te komen.
Kun je beschrijven hoe je je voelde toen je hoorde dat je was genomineerd voor de NN Art Award?
Verrast en vereerd om naast zulke geweldige kunstenaars genomineerd te zijn.
Welk project zou je onmiddellijk oppakken als je de award zou winnen?
Met het prijzengeld zou ik mijn onderzoek naar mijn familiegeschiedenis verder uitdiepen. Ik ben, zoals veel kinderen van immigranten, geïnteresseerd in de achtergrond en verhalen van mijn familie, maar mijn familie is daar erg gesloten over. Dit is een kans om die geschiedenis verder te onderzoeken en die samen met mijn vader te ontdekken. Ik zou Java verkennen, mensen en straatbeelden observeren, gesprekken voeren en portretten maken – in het land dat de geschiedenis van mijn (voor)ouders draagt.
Pris Roos behaalde haar Bachelor in Beeldende Kunst aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag — met een uitwisselingsprogramma in Bremen — en haar Master aan de Hochschule für bildende Künste in Hamburg. In 2020 werd ze verkozen tot stadstekenaar van Rotterdam. Haar werk is opgenomen in de collecties van het Stedelijk Museum Schiedam, de Rijksoverheid en het Stadsarchief Rotterdam. Van 21 februari t/m 11 mei is haar werk ook te zien in de expositie ‘Collective Joy – Learning Flamboyance!’ in het prestigieuze Palais de Tokyo in Parijs. Eerder exposeerde ze onder meer in Kunsthal Rotterdam, het Van Abbemuseum, TENT Rotterdam, Framer Framed, MAMA Rotterdam en het Amsterdam Museum.

Naast haar artistieke praktijk is Roos actief als curator, activist en educator. Ze initieert kunstprojecten die gemeenschappen met elkaar verbinden en betrekt ook jongeren bij haar werk, waardoor ze worden gestimuleerd om na te denken over hun eigen positie en identiteit. Samen met Hannah Jacques richtte ze een rondreizend kinderbibliotheek op die op verschillende locaties in Rotterdam en Den Haag hebben gestaan. Deze bibliotheek is gevuld met boeken en graphic novels waarin kinderen zichzelf kunnen herkennen. In dit boekencollectief vind je boeken over onderwerpen als identiteit, gender, seksualiteit en het klimaat — een belangrijke aanvulling op het (veelal witte en heteronormatieve) perspectief waar kinderen mee in aanraking komen. Op die manier hebben ze niet alleen meer keuze, maar worden ze ook bewuster van zichzelf en de wereld om hen heen.
De winnaar van de NN Art Award 2025 wordt bekendgemaakt op vrijdag 28 maart om 20.00 uur in Kunsthal Rotterdam. Tijdens deze feestelijke avond zijn alle tentoonstellingen, inclusief de NN Art Award tentoonstelling, vrij toegankelijk te bezichtigen voor de aanwezige gasten.
Geschreven door Flor Linckens
Ivan Gallery uit Boekarest presenteert op Art Rotterdam (28-30 maart 2025) het werk van Shahin Sharafaldin in de New Art Section, die werd gecureerd door Övül Ö. Durmuşoğlu. In zijn schilderijen onderzoekt Sharafaldin representaties van mannelijkheid en queer identiteit, waarbij hij zich bewust afzet tegen te homogene en simplistische beelden. Zijn figuratieve oeuvre beweegt zich ergens tussen het intieme en het monumentale, met een focus op het lichamelijke en het imaginaire.

Het gevoelige werk van de kunstenaar gaat dieper in op thema’s als vriendschap, homoseksualiteit, verbinding, verlangen en utopische idealen, en biedt bovendien een kritische blik op de manieren waarop identiteit wordt gevormd en waargenomen. Sharafaldins benadering van queerness is bijvoorbeeld uitgesproken intersectioneel: hij is gefascineerd door de nuances, gelaagdheid en complexiteit ervan, bekeken door de lens van klasse, ras, gender en nationaliteit. Dit perspectief dwingt hem om ook te kijken naar bredere maatschappelijke structuren, zoals heteronormativiteit en patriarchale machtsdynamieken.
Sharafaldins levendige olieverfschilderijen worden opgebouwd uit een zorgvuldig afgestemd kleurenpalet. Hij brengt daarbij een sensuele spanning aan die balanceert tussen kracht en kwetsbaarheid. Zijn figuratieve doeken tonen zowel geïdealiseerde als alledaagse taferelen: een dromerig figuur liggend op een rots, een onbespied moment in een slaapkamer of een expliciet erotisch moment tussen twee lichamen.

De omgeving speelt daarin een belangrijke rol. Sharafaldin lijkt daarbij bewust de grenzen op te zoeken tussen private en publieke sferen. Soms speelt de achtergrond juist de hoofdrol en krijgt de kijker een verstilde blik aangeboden in een met schaduwen gevulde kamer — melancholische of zelfs beklemmende interieurs waarin afwezigheid een tastbare aanwezigheid wordt. Kapotte gordijnen die ruisen in zacht licht, bedden die herinneringen lijken te dragen, het zijn terugkerende motieven in zijn schilderijen.
Sharafaldin verbeeldt ook homoseksuele lichamen die simpelweg bestaan. In ‘Heatwave’ (2023), een werk dat te zien zal zijn op Art Rotterdam, toont hij bijvoorbeeld een naakt lichaam dat niet poseert voor de blik van een ander, maar zich in een moment van rust bevindt – een subtiele, maar krachtige uiting van queer representatie.
We zien een naakte mannelijke figuur op een luie stoel, in een staat van volledige ontspanning. De scène ademt een sfeer van nonchalance en zelfgenoegzaamheid, waarbij de figuur volledig in zichzelf gekeerd lijkt. De manier waarop Sharafaldin het lichaam afbeeldt – behaard, ontspannen, in een ongedwongen pose – staat in contrast met traditionele verbeeldingen van mannelijkheid in de kunstgeschiedenis. Dit is geen heroïsch of geïdealiseerd naakt, maar een momentopname.

Sharafaldins schildertechniek benadrukt dit spel tussen realisme en expressiviteit. Losse, zichtbare penseelstreken geven textuur aan huid en stoffering, terwijl de contouren van het lichaam met precisie zijn uitgewerkt. De omringende groentinten op de achtergrond en in de bekleding van de bank vormen een zacht omhulsel, waardoor de figuur lijkt samen te smelten met zijn omgeving. De telefoon in zijn handen en de koptelefoon op zijn hoofd plaatsen het werk nadrukkelijk in het heden en benadrukken een mate van introspectie en isolatie. Soms roept zijn werk een echo op van klassieke schildertradities – barokke clair-obscur, symbolistische ondertonen, het vitalisme – terwijl hij tegelijkertijd hedendaagse queer perspectieven inbrengt.
Shahin Sharafaldin werd in 1995 geboren in Vancouver en woonde tot voor kort in Montreal. Afgelopen zomer verhuisde hij naar Londen. Hij studeerde Beeldende Kunst en Curatorial Practice aan de Emily Carr University of Art + Design in Vancouver en bracht in 2016 ook een periode door aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam. Het werk van de kunstenaar werd onder meer tentoongesteld in Canada en de VS en in 2021 nam hij deel aan een residentieprogramma bij Céline Bureau in Montreal. Met zijn deelname aan Art Rotterdam maakt hij zijn debuut in Nederland binnen een bredere Europese context.
Het werk van Shahin Sharafaldin zal tijdens Art Rotterdam gepresenteerd worden door Ivan Gallery in de New Art Section.
Geschreven door Flor Linckens
Voor het negende jaar op rij wordt de NN Art Award in 2025 uitgereikt aan een veelbelovende kunstenaar die werk toont tijdens Art Rotterdam. De genomineerde kunstenaars zijn Diana Scherer (andriesse eyck galerie), Marcos Kueh (Prospects sectie van het Mondriaan Fonds, courtesy Galerie Ron Mandos), Pris Roos (Mini Galerie) en Bodil Ouédraogo (Prospects sectie van het Mondriaan Fonds). Het werk van de vier genomineerden wordt van 15 maart tot en met 11 mei gepresenteerd in Kunsthal Rotterdam.

Diana Scherer is een pionier binnen de biotechnologische kunst. Haar werk vormt een unieke combinatie van botanie, materiaalonderzoek, textiel en sculptuur en vormt in zekere zin een poëtisch onderzoek naar de relatie tussen mens en natuur — en de menselijke drang om de natuurlijke omgeving te willen beheersen. De balans tussen controle en loslaten speelt hierin een cruciale rol. Scherer staat bekend om haar innovatieve manipulatie van intelligente wortelnetwerken. In haar studio creëert ze kunstmatige biotopen waarin wortels ondergronds worden geleid met behulp van sjablonen. De delicate wortelstructuren die hieruit voortkomen bevatten zowel natuurlijke patronen als door de mens ontworpen motieven. Door het groeiproces van de wortels te sturen met licht, aarde en zaden, ontstaan er complexe, textielachtige structuren die Scherer inzet voor sculpturen, installaties, textielwerken en fotografie. Dit benadrukt de dynamiek van de plant en laat zien hoe de natuur, ondanks menselijke interventie, vaak een eigen, onvoorspelbare weg kiest.
Wat Scherers werk bijzonder maakt is haar zorgvuldige onderzoeksproces en de intensieve samenwerkingen die ze in het verleden had met wetenschappers en biologen van instituten als TU Delft en de Radboud Universiteit. Haar multidisciplinaire aanpak, gekenmerkt door elementen uit de wetenschap, natuur, kunst en design, maakt het mogelijk de verborgen wereld van wortels zichtbaar te maken. Dit heeft geleid tot baanbrekende technieken waarmee ze wortels transformeert tot ‘gegroeid’ textiel. Scherer analyseert de wortels tot op microscopisch niveau en experimenteerde met honderden plantensoorten voordat ze bij haar favorieten uit kwam: haver, gras, tarwe en maïs. De structuur van graswortels vergeleek Scherer bijvoorbeeld met zijde en het wortelstelsel van de margriet liet haar denken aan wol. Tegelijkertijd is de kunstenaar ook geïnteresseerd in het ambachtelijke karakter van textiel en laat ze zich inspireren door traditionele weeftechnieken van gemeenschappen die nauw verbonden zijn met de natuur. Duurzaamheid en idealisme spelen een centrale rol in haar werk.

Scherers praktijk getuigt van een diepe fascinatie voor wat neurobiologen beschouwen als het ‘intelligentiecentrum’ of het brein van planten. Ze onderzoekt manieren om deze natuurlijke groeiprocessen te sturen, bijvoorbeeld door het bestuderen van xyleemvaten: het weefsel dat verantwoordelijk is voor het interne watertransport in planten. Haar werk weerspiegelt een fascinatie voor verborgen processen en hybride vormen, waarin microscopische plantaardige structuren samensmelten met door de mens gemaakte patronen — van geometrische natuurprincipes tot de afdrukken van bubbelplastic en sporen van autobanden. Scherer integreert daarin ook de impact van klimaatverandering op celweefsels, zoals verbrand hout en gemuteerde plantenstructuren.
Het werk van Scherer weerspiegelt de menselijke behoefte om de natuur te beheersen, terwijl het tegelijkertijd vragen oproept over de ethische en ecologische implicaties (en de grenzen) daarvan. De kunstenaar laat ons op die manier nadenken over wat ‘natuurlijk’ betekent in het tijdperk van het Antropoceen.
Diana, zou je ons wat meer kunnen vertellen over het werk dat je presenteert op Art Rotterdam en in de Kunsthal?
Op Art Rotterdam laat ik werken zien uit mijn doorlopende project ‘Interwoven (Exercises in Root System Domestication)’ (2015–heden). In de Intersection-sectie van Art Rotterdam zal een monumentaal werk van 7 bij 2,5 meter te zien zijn, dat aan het plafond bevestigd is. Dit werk, gegroeid uit zaden, gras en wortels, werd oorspronkelijk gemaakt in opdracht van Museum Kranenburgh voor mijn tentoonstelling ‘Farming Textiles’, die daar vorig jaar te zien was. Daarnaast toont andriesse eyck galerie op de beurs een selectie van mijn werken. Voor de Kunsthal Rotterdam werk ik aan een uitgebreidere tentoonstelling met circa tien grotere en kleinere werken. Sommige daarvan zijn vergroeid met door de mens vervaardigde stoffen of netten.
Wat zijn je plannen voor 2025?
In 2025 start ik een samenwerking met het TextielLab van het TextielMuseum in Tilburg. Samen zullen we grootschalige gebreide stoffen en kantachtige, gekleurde netten ontwikkelen, die ik vervolgens laat vergroeien met mijn weefsels van plantenwortels. Hoewel ik al vaker heb geëxperimenteerd met gekleurde stoffen, is de keuze aan geschikte materialen zo beperkt dat ik heb besloten om ze zelf te maken. Op die manier kan ik zelf de kleur, het formaat en het breipatroon bepalen. Daarnaast is het voor mij essentieel om controle te hebben over de herkomst van het garen, met als doel zoveel mogelijk te werken met ecologisch verantwoord garen.
In 2025 mag ik mijn werk bovendien presenteren in verschillende tentoonstellingen. In Londen neem ik vanaf 11 juli deel aan de tentoonstelling ‘More than Human’ in het Design Museum. Het SeMoCA (Seoul Museum of Craft Art) in Zuid-Korea heeft me daarnaast uitgenodigd voor ‘Matter Matters: Four Attitudes in the Digital Age’, een tentoonstelling over de manier waarop ambachtelijke kunstenaars materialiteit en technologie benaderen in ons digitale tijdperk. Daarnaast zullen verschillende van mijn werken gepresenteerd worden tijdens de Hangzhou Triennale Fiber Art 2025 in China. Een selectie van mijn werk zal in Mettingen te zien zijn in de Draaiflessen Collectie. Tot slot is mijn werk onderdeel van de Fellbach Triennale in Duitsland.

Kun je beschrijven hoe je je voelde toen je hoorde dat je was genomineerd voor de NN Art Award?
Ik was erg verrast, het nieuws kwam totaal onverwacht. Dat stemde me natuurlijk heel vrolijk!
Welk project zou je onmiddellijk oppakken als je de award zou winnen?
Het zou me de ruimte geven om me meer op onderzoek en experiment te richten. Voor de verdere ontwikkeling van mijn huidige project heb ik tijd en concentratie nodig. Daarnaast zou ik mijn samenwerking met het TextielLab van het TextielMuseum kunnen uitbreiden, want er zijn nog zoveel mogelijkheden om de twee vormen van textiel te combineren. Ook speelt kleuronderzoek dit jaar een belangrijke rol.
Diana Scherer werd in 1971 geboren in Lauingen in Beieren (Duitsland) maar de kunstenaar woont inmiddels al meer dan 25 jaar in Nederland. Ze begon aanvankelijk aan een studie in modeontwerp in Londen maar vervolgde haar opleiding aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam. Ze sleepte verschillende prijzen in de wacht, waaronder de New Material Award (Fellow) van Het Nieuwe Instituut. Het werk van Scherer was onder meer te zien in de Frankfurter Kunstverein, het Textielmuseum, Foam Amsterdam, Manifesta, Museum Kranenburgh, het MIT Museum in Boston, het Himalayas Museum Shanghai, het Victoria & Albert Museum, het Stedelijk Museum en tijdens de Biënnale van Sydney. Op dit moment is haar werk te zien in het Cobra Museum in Amstelveen en in Somerset House in Londen.
De winnaar van de NN Art Award 2025 wordt bekendgemaakt op vrijdag 28 maart om 20.00 uur in Kunsthal Rotterdam. Tijdens deze feestelijke avond zijn alle tentoonstellingen, inclusief de NN Art Award tentoonstelling, vrij toegankelijk te bezichtigen voor de aanwezige gasten.
Geschreven door Flor Linckens

Een rondleiding volgen over de beurs, onder leiding van een gepassioneerde kunstliefhebber van de Young Collectors Circle? Dat kan op: zaterdag 29 en zondag 30 maart, starttijden: 13.00 en 15.00 uur. Aanmelden: bij de Informatiebalie in het entreegebied van de beurs.
De Young Collectors Circle ontsluit de kunstwereld voor kunstliefhebbers met verzamelambities. Ontmoet andere startende verzamelaars, maak kennis met alle aspecten van het verzamelen en ontwikkel je eigen smaak en stijl.
Het werk van Diana Al-Halabi (1990, Libanon) is even persoonlijk als politiek. Zonder een moment te aarzelen, spreekt ze over honger, oorlog en ontmenselijking met helderheid en urgentie. Haar nieuwste werken, Clean Cut (2024) en Blow Up (2025), snijden diep in thema’s van macht en onderdrukking, en tonen hoe geweld wordt gesanctioneerd en weggewuifd.
Tijdens het gesprek fladdert Bubu, een kleine, felgroene, donzige parkiet rond haar. Hij tsjirpt luid, eist haar aandacht op, en drukt kleine kusjes op haar lippen. Bubu is het lichtpuntje in de donkerte van het gesprek.

Wat is de rode draad in je werk?
“Mijn praktijk is interdisciplinair; ik ben niet enkel een filmmaker of enkel een schilder,” zegt Diana. Het medium wordt bepaald door de urgentie van het onderwerp. “Als iets nú gebeurt, moet ik er anders op reageren dan wanneer ik iets uit het verleden bekijk.”
Haar werk onderzoekt machtssystemen die van bovenaf worden opgelegd. “Ik werk tegen alles wat top-down komt,” zegt ze. “Onderdrukten versus onderdrukkers, gekoloniseerden versus kolonisatoren.” Die spanning drijft haar praktijk, waarin ze meestal vertrekt vanuit het persoonlijke en zo uitzoomt naar bredere politieke structuren.
Maar in haar film The Battle of Empty Stomachs gebeurde het net andersom. “Sinds 2021 deed ik onderzoek naar twee vormen van politieke honger,” zegt ze. “Hongersnood is een wapen van bovenaf, opgelegd door de staat. Hongerstakingen bewegen net de andere kant op, ze beginnen bij de individuele gevangene en groeien van daaruit, als een laatste vorm van verzet.”
Terwijl ze aan de film werkte, sloeg de realiteit in. “Ik vroeg me af: wat weet ik eigenlijk over honger? Niets, toch? Het enige wat ik kende, was vasten. En toen escaleerde de hongersnood in Gaza. Het was verstikkend om een genocide mee te maken terwijl ik een film maakte over politieke uithongering. Het was niet langer een onderzoeksproject. Het gebeurde. Nu.”

Het Mondriaan Fonds hielp bij de productie van die film, toch?
“Ja, The Battle of Empty Stomachs werd ondersteund door zowel het Mondriaan Fonds als de IFFR RTM Pitch Award,” zegt Diana. “Het prijzengeld mocht enkel voor de productie gebruikt worden, dus het Mondriaan Fonds hielp me persoonlijk om het project mogelijk te maken.”
Haar onderzoek duurde twee jaar, de film zelf werd in zes à zeven maanden gerealiseerd. Maar na de afronding voelde ze dat ze iets anders nodig had. “Ik schrijf alles in mijn films, zelfs de poëtische teksten. Maar op een bepaald moment voelde taal te klein. Woorden waren te beperkt, te nauw voor wat ik zag.”
Zo kwam ze opnieuw bij schilderkunst terecht. Op Art Rotterdam Prospects toont ze Clean Cut, het eerste werk dat uit die verschuiving voortkwam.
Wat inspireerde Clean Cut?
“Ik las Bertolt Brechts essay Writing the Truth, Five Difficulties uit 1935 en een zin liet me niet meer los,” zegt Diana. “Hij schrijft over hoe mensen fascisme willen bekritiseren, maar kapitalisme zorgvuldig buiten beeld houden. Alsof je kalfsvlees wil eten, maar weigert te zien hoe het kalf wordt geslacht. En zolang de slager zijn handen wast, doet niemand moeilijk. Dat beeld bleef in mijn hoofd klieven.”
Dit staat centraal in Clean Cut. Op het schilderij wast een slager zijn handen, een vleesmolen steekt in zijn mond. Twee vrouwen kijken hem met achterdocht aan. “Na vijf jaar in het Westen te wonen, zie ik die dubbele standaarden elke dag. Mensen oordelen met argwaan over anderen, maar er is een hiërarchie in wie geweld mag bekritiseren. Als iemand zegt: ‘Oh nee, die arme Israëli’s,’ dan weigert die te zien waar het echte probleem ligt, en dat is exact waar Brecht het over had. Mensen veroordelen geweld, maar zwijgen over zionisme. Ze veroordelen nazi-fascisme, maar weigeren zionisme in vraag te stellen. Het is schuldwitwassen. Net zoals de slager die zijn handen wast.”

De titel Clean Cut verwijst naar hoe geweld klinisch en afstandelijk wordt in moderne oorlogsvoering. “Israël bombardeert Gaza op een ‘cleane’ manier. Het is verticaal geweld, losgekoppeld, bijna onzichtbaar. Een raket valt uit de lucht en wist de daad van moord uit. Maar een mes beweegt horizontaal, dichtbij, direct. Het ene wordt als ‘clean’ gezien, het andere als vuil.”
De lichamen in haar schilderij zijn geen dieren, maar mensen. “Het is een directe reactie op hoe zionistische propaganda Palestijnen en Libanezen ‘menselijke dieren’ noemt. Maar tijdens de Holocaust werden Joden door de nazi’s exact zo genoemd. Dezelfde retoriek, dezelfde dehumanisering.”
Waarom resoneert schilderen nu zo sterk met je werk?
“Geen enkel medium kan de rampzalige realiteit vatten,” zegt Diana, terwijl ze reflecteert op het overweldigende geweld en het menselijke leed dat beelden van de oorlog in Gaza proberen vast te leggen. Maar wat haar net zo hard raakt, is hoe snel die beelden verdwijnen. “Vandaag de dag verdwijnen beelden razendsnel, opgeslokt door de eindeloze stroom van het internet. We mogen niet toestaan dat deze digitale amnesie uitwist wat we hebben gezien. Voor het digitale tijdperk, bleven beelden van oorlog op het netvlies gebrand. Denk aan de Vietnamoorlog, sommige beelden zijn iconisch geworden, omdat ze zowel het verzet als het lijden vasthouden.”
Schilderen is een manier om beelden die haar shockeren vast te houden. “Ik zag een foto van een hoop lichamen van Palestijnen, bruut afgeslacht, met katten die erbovenop zaten. En ik bleef me afvragen: zijn die katten uitgehongerd en op zoek naar eten? Zijn ze aan het rouwen? Of voelen ze de kilte van de dood en proberen ze de lichamen warm te houden?”
Diana zag ook foto’s van kinderen en beroemdheden die boodschappen schreven op raketten, die even later op Palestijnen werden afgevuurd. Die beelden vormden de basis voor Blow Up, het drieluik waar ze nu aan werkt, en dat op Art Rotterdam Prospects voor het eerst te zien zal zijn.

“Het is een daad van genocide die als iets patriottisch wordt voorgesteld, maar het is pure indoctrinatie. Het is een systeem dat mensen meesleurt in gruwelijk geweld, zonder dat ze volledig begrijpen waar ze in worden betrokken.”
Schilderen is haar verzet tegen de vluchtigheid van beelden. “Ik voelde de ethische verantwoordelijkheid om die beelden niet simpelweg te herhalen, maar om een manier te vinden om erover te spreken. Kunst moet die momenten vastzetten, omdat een simpele scroll ze anders voorgoed laat verdwijnen. Omdat vergeten te gemakkelijk is. En ontkennen nog gemakkelijker.”
Met vastberadenheid doorbreekt Bubu de zwaarte van het gesprek. Hij drukt zachte kusjes op Diana’s lippen, alsof hij haar probeert te troosten. Ze kust hem terug en fluistert zacht: “Habibi Bubu, I love you too.”
De onderbreking is zo absurd dat Bertolt Brecht het zelf had kunnen schrijven – een teder moment dat zich nestelt tussen ons terwijl de zwaarte van de oorlog nazindert.
Geschreven door Emily Van Driessen
“Wat doe je met al die standbeelden van controversiële historische figuren uit het verleden?”, vroeg Anne Wenzel zich af. Dit dilemma was het startpunt voor haar project House of Fools. Tijdens Art Rotterdam, van 28 tot en met 30 maart 2025 in Ahoy Rotterdam, presenteert AKINCI uit Amsterdam de buste House of Fools (Johan Maurits) in Sculpture Park. Wenzel is gefascineerd door de manier waarop wij in het heden omgaan met de monumenten van onze “helden” uit het verleden. Haar serie House of Fools is een reactie op de recente beeldenstorm waarin standbeelden van historische figuren – vanwege hun omstreden verleden – van hun sokkels worden getrokken. “Met deze beelden toon ik de pronk, de pracht en de praal van macht. Mét verval. Van binnenin lijkt het alsof ze zijn weggevreten of uit elkaar breken”, aldus Wenzel. De buste die zij maakte van Johan Maurits van Nassau Siegen is geen eerbetoon aan deze gouverneur van de voormalige Nederlandse kolonie in Brazilië. In plaats daarvan stelt Wenzel de vraag: wat betekent dit beeld nog, nu we Johan Maurits niet langer onvoorwaardelijk als held beschouwen? Ze biedt daarmee een alternatief voor de eeuwige strijd tussen het bewaren en vernietigen van beelden.

Een absurd verzoek op Art Rotterdam
“Wil je tegen me boksen?” Die vraag legde Deirdre Carasso, voormalig directeur van het Stedelijk Museum Schiedam, voor aan Wenzel op Art Rotterdam 2019. Als directeur van het museum kreeg Carasso de taak verbinding te leggen tussen het museum en de stad. Een bokswedstrijd leek haar een goede manier om een brug te slaan tussen kunst en engagement. “Waarom vraag je mij niet om een tentoonstelling te maken, daar ben ik toch veel beter in?” vroeg Wenzel zich af. Ze accepteerde het verzoek onder de voorwaarde dat ze, bij winst, artistieke vrijheid zou krijgen in het museum. Wenzel won, en bracht als reactie op deze “absurde” vraag de vele aspecten van macht in beeld.

Hedendaagse beeldenstorm
De grootste zaal in het Stedelijk Museum Schiedam werd gewijd aan de serie House of Fools, bestaande uit donkere goudkleurige keramische bustes. Naast Johan Maurits waren hier ook historische “helden” als Jan Pieterszoon Coen en Witte Corneliszoon de With te zien, allen gebaseerd op standbeelden die recent vernield, beklad of verwijderd werden. Het beeld dat ze maakte van De With werd vorig jaar door het Museum Boijmans van Beuningen aangekocht. Als beeldhouwer ervaart Wenzel “pijn” bij het aanschouwen van de hedendaagse beeldenstorm. Het is niet alleen het verdwijnen van standbeelden uit de publieke ruimte dat haar raakt, maar ook dat daarmee het werk van haar collega’s teniet wordt gedaan. In 2017 werd het standbeeld van Johan Maurits uit de ontvangsthal van het Mauritshuis verwijderd. Dit alles gebeurde stilzwijgend, het beeld werd onverhoeds overgebracht naar het depot. Het verwijderen van het standbeeld werd gezien als blijk van afkeuring van het vermeende aandeel van Johan Maurits in de slavenhandel. Het Mauritshuis koos ervoor om de omstreden geschiedenis rondom Johan Maurits – naamgever van het museum – elders in museum toe te lichten, maar dan zonder het standbeeld. De keuze van het Mauritshuis sluit aan bij een trend waarbij steeds meer musea en overheidsinstanties lijken te kiezen voor de verwijdering van standbeelden van omstreden helden uit het verleden. Alhoewel Wenzel de noodzaak ziet om kritisch naar het eigen verleden te kijken, vraagt ze zich af of een dergelijke beeldenstorm de juiste oplossing is. Dus besloot ze er haar nieuwe project van te maken.

De spanning tussen verval en grandeur
De buste van Johan Maurits zit vol gaten waar een groenig glazuur uit lijkt te druppelen. Ook zijn gezicht is aangetast: “Er lijkt in te zijn gehapt door een monster, andere delen lijken door brand aangetast”, aldus Wenzel. Het voetstuk van de buste is ook niet meer helemaal intact, waarmee het beeld ieder moment dreigt om te vallen. Onderaan op de sokkel liggen keramische tegels waarin voetsporen staan afgedrukt. Het beeld lijkt hierdoor zijn eigen verval te weerspiegelen. Door de buste te beschadigen, wil de kunstenaar zijn onberispelijke imago ter discussie stellen. Wenzel laat ons nadenken over hoe we omgaan met de herinnering aan deze gouverneur, als onderdeel van een systeem van uitbuiting en onderdrukking. Ze laat daarmee zien dat er ook andere manieren zijn om met het verleden om te gaan.
Naast tekenen van verval wordt ook de grandeur van deze omstreden historische held benadrukt. Wenzel bracht een spiegelend goudglazuur aan, waarmee de kijker tegelijkertijd geconfronteerd wordt met zijn eigen reflectie. De kunstenaar had echter een probleem toen het beeld niet het gouden effect kreeg zoals ze beoogde. Het glazuur bleek erg gevoelig voor temperatuur en dus moest Wenzel experimenteren met andere manieren van stoken. Bij 1080 graden bleven de bustes dof zwart, maar toen ze de oven verder verhitte, verscheen er een gouden glans. Het was de finishing touch van deze serie werken. Wenzel laat ons zien: monumenten worden met liefde gebouwd – ook in hun verval verdienen ze eerbied en respect.
Geschreven door Martine Bontjes
Met zijn werk slaat kunstenaar Janne Schimmel (geb. 1993, Nederland) een brug tussen de digitale en fysieke wereld, waarbij hij technologie en gaming vanuit een nieuw perspectief benadert. Dit jaar presenteert hij op de Prospects sectie van Art Rotterdam Between Modder and Mud (2024), een gaming-sculptuur met een eigen ontworpen game die uitnodigt tot interactie en reflectie.

Wat is de rode draad in je werk?
“Gaming heeft altijd een rol gespeeld in mijn werk,” legt Janne uit. “Wat mij fascineert, is de discrepantie tussen hoe de gamewereld eruit ziet in de spellen en hoe gamers hun fysieke ruimte vormgeven. Denk bijvoorbeeld aan World of Warcraft: een rijk gedetailleerde, magische wereld vol kristallen en spirituele elementen. Tegelijk zien we dat de typische gamerkamer vaak minimalistisch en strak is, met LED-verlichting, gestroomlijnde meubels en koude consoles. Die twee werelden staan in schril contrast, en ik wil die in mijn werk meer samenbrengen.”
Zijn sculpturen ontrafelen deze spanning en dagen het traditionele design van hardware uit. “De apparaten die we nodig hebben om verbinding te maken met de digitale wereld worden vaak ontworpen om kracht en snelheid uit te stralen, terwijl zachtere, emotionele kwaliteiten nauwelijks een rol spelen. Ik wil dat verhaal veranderen.”
Hoe komt het dat gaming hardware en design vaak zo’n eenzijdig karakter hebben?
“Volgens mij komt dat door onze performance culture,” zegt Janne. “In de jaren ’90, tijdens LAN-parties, een bijeenkomst voor computerliefhebbers, kwamen gamers samen om hun snelste en krachtigste computers te laten zien. Ze openden de zijkant van hun computerkasten om trots de hardware te tonen. Dat heeft geleid tot een esthetiek die draait om componenten die kracht en snelheid uitstralen.”
In zijn sculpturen legt hij deze componenten – zoals moederborden, processors en videokaarten – letterlijk bloot, maar hij combineert ze met elementen als kristallen, sieraden en stenen. “Door deze contrasten naast elkaar te plaatsen, wil ik laten zien hoe eenzijdig de esthetiek rond gaminghardware is en ruimte creëren voor iets zachter, iets minder rationeel.”
Hij ziet hierin ook de invloed van patriarchale structuren. “Het idee dat hardware krachtig en mannelijk moet zijn, sluit emoties en zachtere esthetiek uit. Er zit nog veel vast in die traditionele denkbeelden.”

Gaming wordt vaak gezien als een solitaire activiteit, maar in jouw werk benadruk je juist de kracht van gaming communities en user-generated content. Kan je dat toelichten?
“Gaming is veel meer dan een individuele ervaring,” benadrukt Janne. “De kracht van communities ligt in het delen van kennis en creativiteit. De modding community, waarin gamers bestaande games aanpassen, is een prachtig voorbeeld. Het begon al in 1993, toen de ontwikkelaars van het spel Doom hun code deelden, zodat spelers zelf toevoegingen konden maken. Dat heeft de industrie voorgoed veranderd.”
Daarnaast spreekt Janne vol bewondering over de homebrew community, waar mensen volledig nieuwe spellen ontwikkelen voor oude apparaten zoals de Gameboy of Nintendo DS. “Wat ik hier zo mooi aan vind, is dat de community technologie heractiveert en daarmee de commerciële industrie uitdaagt. Maar wat misschien nog belangrijker is: er wordt ruimte gecreëerd voor eigen verhalen. De commerciële gamingindustrie wordt nog steeds gedomineerd door witte mannen die vaak één soort narratief vertellen. Homebrew makers doorbreken dat. Ze herschrijven op deze manier de narratieven die naar voren komen.”
Deze gemeenschappen zijn een directe inspiratiebron voor Janne en hij verwerkt ook hun gedeelde technieken en code in zijn eigen games. Op zijn sculpturale consoles kunnen bezoekers niet alleen zijn zelfgemaakte games spelen, maar ook die van anderen uit deze gemeenschappen, zoals LesbiAnts, Toni Catino, een game over lesbische mieren. “Alleen al de titel vind ik geniaal,” zegt hij lachend. “Het is een perfect voorbeeld van een verhaal dat nooit uit de mainstream industrie zou komen. Dit soort games laten zien waarom deze gemeenschappen zo belangrijk zijn.”

Wat is de impact geweest van de beurs van het Mondriaan Fonds?
“De beurs gaf me de vrijheid om mijn creatieprocessen te verdiepen,” zegt Janne. Een belangrijk deel van het budget gebruikte hij om te investeren in een CNC-machine, waarmee hij digitale ontwerpen met organische vormen met uiterste precisie kan uitsnijden in hout en andere robuuste materialen. Maar wat hem vooral fascineert, is hoe dit proces niet eindigt bij de fysieke vorm.
“Eerst maak ik mijn digitale ontwerpen fysiek tastbaar. Vervolgens scan ik die creaties opnieuw in 3D en dan deel ik ze met de community. Zij kunnen die digitale modellen gebruiken in hun eigen ontwerpen of ze zelf 3D printen en terugbrengen naar de fysieke wereld. Zo ontstaat er een voortdurende uitwisseling tussen digitaal en fysiek.”
Dit principe van hergebruik komt ook terug in zijn designstukken. “Een van mijn sculpturen begon met een Ikea-stoel die ik al sinds mijn elfde had. Toen de armleuning brak, repareerde ik hem door een nieuwe leuning uit aluminium te gieten. Die reparatie inspireerde later de sculpturale vormen van mijn designstoelen en -banken.”

Wat ga je tonen op Art Rotterdam?
Op de Prospects sectie presenteert Janne Between Modder and Mud (2024), een gaming-sculptuur waarmee bezoekers zijn zelfontwikkelde game First Person Hugger (2024) kunnen spelen.
“Ik wilde een game creëren waarin compassie centraal staat. In veel commerciële games draait het om geweld, en dat vind ik op zich niet slecht,” zegt Janne. “Ik ben er ook mee opgegroeid, maar als ik nu hetzelfde zou maken, voegt het niets meer toe. In First Person Hugger bekijk je de wereld niet door een geweerloop, zoals in een traditionele first person shooter, maar door open armen. In plaats van schieten, zijn knuffelen en praten de voornaamste interacties van de speler.”
Dit idee kwam voort uit een moment dat hem altijd is bijgebleven. “Ik was als tiener aan het gamen toen mijn moeder binnenkwam. Ze zag een boeket bloemen in de game en zei: ‘geef die bloemen aan een vrouw’. Maar het enige wat ik kon doen, was ze als wapen gebruiken. Dat zette me aan het denken over hoe beperkt interacties in games vaak zijn. Ik wil iets maken dat een totaal ander perspectief biedt.”
Geschreven door Emily Van Driessen
In de Main Section van de beurs brengt Borzo Gallery een hommage aan Jan Andriesse. De schilder die ‘schaamteloos mooie schilderijen’ wilde maken en een leven lang gefascineerd was door de werking van licht. Wars van trends werkte Andriesse op zijn woonboot aan de Amstel aan een even eigenzinnig als consistent oeuvre.
In de stand van Borzo zijn drie schilderijen uit de nalatenschap van Andriesse te zien, aangevuld met een aantal Waterstudies – inkttekeningen van lichtspiegelingen op de Amstel – en nieuw werk van Andriesses vriend en collega Jurriaan Molenaar.

Tot zijn dood in 2021 was Jan Andriesse een sleutelfiguur in de Nederlandse schilderkunst. Het bekendst zijn zijn regenboogschilderijen, een serie grote doeken die hij vanaf 1994 maakte. De eerste regenboog bedacht hij voor een vergaderzaal van de Raad van State, maar de opdracht werd hem niet gegund. ‘Ik vroeg mij af wat het mooiste was dat ik de koningin kon geven om naar te kijken. Na maanden kwam ik uit bij de regenboog. Wat is er mooier dan een regenboog?’ Ondanks het feit dat de opdracht niet doorging, besloot Andriesse de regenboog toch te maken, op groot formaat (350 x 567,5 cm). Het werk bevindt zich sindsdien in de collectie van Museum De Pont.
Met de regenboogschilderijen begaf Andriesse zich in een terra incognita. Je zou denken dat er voorgangers zouden zijn geweest die zich hadden geweid aan het schilderen van de regenboog, maar dat bleek niet het geval. Hij was de enige. Deze vondst had zijn eigen obstakels, want in een regenboog zijn alle kleuren even licht, maar voor verf geldt dat niet.

Om de intensiteit van alle kleuren even sterk te maken, werkte Andriesse soms maandenlang aan één schilderij. Iedere dag bracht hij een nieuwe laag aan van met marmerpoeder gemengde acrylverf. ‘Stel dat dat 200 dagen waren, dan zitten er 200 lagen op. Het klinkt absurd, maar het is zo,’ zei Andriesse daarover tegen NRC. Die talloze lagen zijn overigens niet te zien op de huid van zijn doeken, die zijn altijd glad gepolijst, maar enkel langs de randen van een doek.
Mede vanwege het grote formaat van de doeken – de regenboog van Museum Jan Cunen meet bijvoorbeeld 190,5 bij 300 cm – en het trage maakproces is de nalatenschap van Andriesse niet groot. Galeriehouder Paul van Rosmalen schat dat naast de Waterstudies zo’n tien schilderijen over zijn. Drie daarvan worden op Art Rotterdam voor het eerst aangeboden.
Andriesse werd in 1950 geboren in Jakarta. Zijn jeugd bracht hij door in El Salvador, om daarna naar Nederland te verhuizen. In 1968 begon hij met een opleiding aan de Vrije Academie in Den Haag, waarna hij begin jaren zeventig ging studeren aan de Ateliers ’63 in Haarlem. Begin jaren ‘70 vertrok hij naar Canada om na enige jaren illegaal naar New York te verhuizen. Daar woonde en werkte hij acht jaar lang.
Om de kost te verdienen werkte hij als huisschilder in kantoorkolossen op Manhattan. Terugblikkend in 2000 noemde hij New York de plek hij het meeste had geleerd over de werking van verf en kleur. ‘Ik zag de ruimtelijke werking van kleur en hoe kleur een gewicht kan hebben. Ik zag wat een koud neutraal wit kan doen op een groot vlak, en hoe warm het wit is waarin roze, geel of oranje is gemengd.’

Aan de Amstel
Toen hij zijn atelier op een woonboot aan de Amstel betrok, wist hij dat hij voldoende had aan deze plek. Hij bracht een aantal dakramen aan, waardoor het daglicht ongehinderd kon binnenvallen. Dat stelde Andriesse in staat om de wisselwerking tussen verf, licht en kleur tot in detail te bestuderen.
De woonboot bood uitzicht op de Weesperzijde. Op een avond zag hij het in het water weerspiegelde licht van de straatlantaarns samenvloeien op een punt in de Amstel.
Hij kon zijn ogen niet geloven, maar raadpleegde Marcel Minnaerts De natuurkunde van het vrije veld (1937). Daarin stond het fenomeen dat hij zojuist had gezien precies beschreven.
‘Afhankelijk van de wind dragen de golfjes het licht. Het is zuurstof, het is ruimte, het is verandering. Het is continue verandering. Het leeft, je kan bijna zeggen dat licht beweegt.’

Ongevoelig voor trends
Jan Andriesse was een opvallende verschijning. Een rijzige man met een sonoor stemgeluid die bij voorkeur in het wit gekleed ging. Ook qua ideeën was hij eigenzinnig. Hij was een homo universalis in een tijd waarin de nadruk meer en meer kwam te liggen op specialisatie.
Net als een aantal eeuwen terug maakte hij geen onderscheid tussen kunst en wetenschap. In zijn optiek kon er evenveel schoonheid schuilen in de theoretische natuurkunde als in een schilderij van Vermeer of Weissenbruch, twee schilders die Andriesse bewonderde.
Hij verwerkte dan ook een aantal meetkundige en wiskundige principes in zijn werk zoals de Driehoek van Kepler en de Gulden snede. Over het gebruik van de Gulden snede zei hij: ‘Het is een verhouding die in mijn geval nuttig is omdat hij als vanzelf mogelijkheden genereert, bijna buiten mij om. Hoe meer ik met mijn ego en neuroses in mijn werk afwezig ben, hoe beter het is.’
Mede door die afwezigheid in zijn werk noemt galeriehouder Paul van Rosmalen het werk van Andriesse introvert. Niet iedereen is ontvankelijk voor de combinatie van rust en beweeglijkheid. Een groot expressionistisch gebaar hoef je niet te verwachten bij Andriesse, maar wel sensuele diepgang. “Ik wil volmaakte rust schilderen. Bijna een vorm van stilstand, stasis, zonder dat je er bij in slaap valt. Iets wat toch plezier geeft om naar te kijken. Ik wil mijn schilderijen schaamteloos mooi maken.”
De hommage aan Jan Andriesse wordt begeleid door enkele schilderijen van Jurriaan Molenaar. Andriesse en Molenaar waren jarenlang goed bevriend. Galeriehouder Van Rosmalen omschrijft de vriendschap als een ‘vaste en waardevolle artistieke waarde voor hen beiden’.
Geschreven door Wouter van den Eijkel